maandag
nov142016

Mama moet werken

‘Ik ga twee weken in eenzame opsluiting,’ zei de schrijfster.

‘Dat kun je niet maken,’ zei de moeder.

‘Ik moet. Dat boek zit vast, er zit iets dwars in de verhaalstructuur. Ik hik tegen de oplossing aan, maar heb hier de rust niet om er zo hard over na te denken als nodig is. Ik moet mijn gedachten even door kunnen laten lopen, snap je, ononderbroken, in stilte.’

‘Maar, uh, kinderen?’

‘Er is ook een vader in huis.’

‘Vraag de werkster een paar keer extra. Verschoon alle bedden voor je gaat, was de wasmand leeg, kook vooruit en vries maaltijden in tegen scheurbuik.’

‘Uiteraard.’

‘Is het niet eng, helemaal alleen in dat afgelegen Franse huis?’

De schrijfster haalde haar schouders op. ‘Ik wil schrijven.’

‘Hoe kan die drang zo sterk zijn dat je je kinderen ervoor achterlaat?

‘Ik weet het, ik ben een onmens,’ sprak de schrijfster gepijnigd. ‘Soms kan ik hun aanwezigheid niet eens verdragen, wil ik alleen maar alleen zijn. En ja, voor wat? Voor een boek dat niemand zal missen als het niet geschreven wordt. Ik heb bedacht dat het er moet komen, het is een kwestie van aanbod, niet van vraag. Die ontstaat pas als het boek in de winkel ligt, en dan nog kraait er geen haan naar, ik bedoel, wat lezen de mensen nou? Eén boek in de vakantie? En dan kiezen ze blind wat op Schiphol ligt, of op de hoogste stapel bij de Ako -  zie daar maar eens tussen te komen, met je frivole literaire werkje.

Maar zodra ik me op dat werkje richt, en er ineens een prachtzin uit mijn pen vloeit, zo een aan het eind van een alinea of hoofdstuk die alles bevat, die ritmisch klopt, die raakt, dan vergeet ik dat allemaal. Die momenten, van de kloppende gedachte, die drijven me voort.’

Dus ging ze, de schrijfster, op een ochtend in september. Het afscheid van haar slaperige kinderen verliep wat rommelig, maar de vader zwaaide haar vanaf het balkon in zijn badjas goeiig uit.

In acht uur reed ze naar het huis in Frankrijk. Al die tijd zat de moeder morrend op de achterbank; ze was het er nog steeds niet mee eens.

Bij aankomst was de zon nog net niet achter de bergen verdwenen. De schrijfster schonk een glas wijn in, en turend over de weilanden voelde ze de rust al indalen.

‘Je moet naar huis bellen,’ jengelde de moeder.

‘Hou toch je kop,’ zei de schrijfster. ‘Anders zet ik je in de schuur.’

De moeder pruttelde nog wat na, maar toen de avond viel, zat de schrijfster in stilte te schrijven.