JAAP

Jaap was vroeger al geen populaire jongen. Hij was groot voor zijn leeftijd en iets te dik. Bij gym werd hij nooit gekozen, met schoolzwemmen kon hij niet mee vanwege de buisjes in zijn oren. Hij was een stille, maar wanneer hij zich benadeeld voelde, kon hij plotseling fel uit de hoek komen. Jaap trok erg naar zijn moeder. Jaap huilde snel. Een gevoelig kind, stond in zijn rapporten.

Jaap is uitgegroeid tot een logge, tweemeter lange, hypochondrisch aangelegde man van negenenveertig. Door zijn collega’s op de scholengemeenschap waar hij al twintig jaar aardrijkskunde geeft, wordt hij bezien als een dodelijk vermoeiende, zichzelf overschreeuwende sukkel. Toegegeven, Jaap is een betweter. Een feitenman. Jaap praat in de overtreffende trap. Vakantie van een collega verregend, nou, dan de vakantie van Jaap! Tornado’s, blikseminslagen. Weggespoeld, met tent en al. Iemand een knappe nieuwe vriendin? Ha! Dan die van Jaap. Die is pas knap.  Bernadette mag er inderdaad wezen. Bernadette is prachtig. Bernadette is maatschappelijk werkster. Bernadette neemt Jaap serieus. Ieder pijntje, of het nou zijn chronische spanningshoofdpijn, zijn zeurende knie of zijn gevoelige maag is, wordt met geduld en liefde geslikt. Bernadette masseert, Bernadette smeert arnica, Bernadette kookt mager en gezond om de maag te verlichten. In mijn broodtrommeltje niets dan roggeboterhammen! verkondigt Jaap luid in de lerarenkamer, als hij ziet dat iemand in een witte bol met brie hapt. Dat hij zich na schooltijd regelmatig bij de snackbar op de hoek verschranst voor een berenhap of een broodje warm varken, weet niemand. Zelfs Bernadette niet.

Vriendschap is Jaap vreemd. De enige met wie hij, laten we zeggen, vriendschappelijk contact heeft, is Dave. Dave is gymleraar op dezelfde school, ze kennen elkaar nog uit hun jeugd. Ze waren buurjongens. Dave is een sympathieke, gebruinde atleet op wie alle meisjes altijd verliefd waren en nog steeds. Ook Dave heeft een mooie vrouw. Nee, Jaap, niet zo mooi als die van jou. Laten we zeggen, anders mooi. Dave is in wezen een trouwe hond, hij zal zijn vrouw nooit verlaten. Zoals hij Jaap in al die jaren ook nooit heeft laten vallen. Maar ach, het vlees is zwak, de verleidingen van het al het vrouwelijk schoon dat zich aanbiedt zijn groot. 

Een paar weken geleden heeft Dave heeft een kapitale fout begaan. Hij heeft Jaap in vertrouwen genomen over een geheim afspraakje met de moeder van Katrien, uit de derde. En over de heimelijke genoegens die hij met Karin deelt. Karin geeft Frans aan de onderbouw. Sinds de biecht, die overigens in de kamer van de conciërge plaatsvond terwijl de conciërge de poort opende voor een laatkomer, zwijgt Jaap Dave dood. Om te kotsen, vindt hij zulk haantjesgedrag. Schan-da-lig. Te pas en te onpas klaagt hij tegen collega’s over ongepaste intimiteiten tussen ‘bepaalde’ docenten, die niemand toch kunnen zijn ontgaan. Jaap is op veel punten principieel. Wat vreemdgaan betreft is hij ernstig principieel. Dat doe je niet. Dan ben je fout. 

Onvermijdelijk valt Jaap zelf ten prooi aan zijn principes: Maya verschijnt ten ten tonele. Maya is nieuw, geeft handenarbeid en eet ook roggeboterhammen. Ze draagt veel paars en heeft altijd een schitterende, kleurige doek om haar hoofd geknoopt. Wat Jaap verder van haar weet, heeft hij van horen zeggen. Dat ze veel gereisd heeft, vooral door India. Dat ze vrij is van lichaam en geest. Jaap heeft de moed niet haar aan te spreken, hoewel hij dat best zou willen. Bovendien begeeft Dave zich vanaf haar eerste werkdag in haar cirkel. Verdacht dicht in haar cirkel zelfs. Karin heeft het nakijken. De lul.

Toch lukt het Jaap na een paar weken Maya’s aandacht te trekken. Hij ziet haar al van verre door de gang in zijn richting lopen. Onmiddellijk gaat hij over op een slepende tred, die niet helemaal gespeeld is, want hij heeft de laatste tijd echt veel last van zijn knie. Wat hij hoopt gebeurt ook. Maya spreekt hem bezorgd aan. Hij vertelt over zijn met vocht gevulde knie, zijn hoofdpijnen, zijn zwakke maag. Maya knikt begrijpend, en legt hem iets uit over de antroposofische leer, over chemische stoffen die ons schade toebrengen. Alles is een geheel, zegt ze met zachte stem. Plant, dier, bodem, kosmos, allemaal onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het lichaam is een tempel. Een tempel die gekoesterd dient te worden. Jaap weet, voor het eerst in zijn leven, even geen overtreffende trap. Op weg naar huis denkt hij aan de woorden van Maya, hoort hij haar zwoele, wijze woorden. Terwijl hij met Bernadette aan tafel zit, verhaalt hij enthousiast over de antroposofische leer. Zijn vrouw legt, als altijd, haar oren gewillig ten luister. Ze kneedt zijn gespannen onderrug los. Hij filosofeert door over de eenheid van het geheel. Als hij uiteindelijk in bed ligt, denkt hij aan het lichaam van Maya, dat een tempel is, een tempel die hij wil betreden.

De dagen erna is Maya niet op school. Jaap geeft zijn lessen op de automatische piloot, in de lerarenkamer zit hij stilletjes op een stoel, zijn trommel met roggeboterhammen onaangeroerd op zijn schoot.

Na drie dagen is Maya nog niet terug. Zo nonchalant mogelijk informeert Jaap bij de conrector of Maya soms ziek is. Maya volgt een seminar, dat stond al gepland toen ze deze baan aannam. Volgende week is ze er weer. Volgende week. Dat is nog de rest van de werkweek, twee dagen, en het hele weekend. Jaaps slapen kloppen, zijn maag trekt samen. Hoe de tijd door te komen? Toch is hij opgelucht, hij weet nu in ieder geval dat ze terug komt. Voor het eerst in dagen voelt hij weer eetlust, zodanig, dat hij na schooltijd naar de snackbar snelt. Nog voor hij binnen is, trekt een waas voor zijn ogen, alleen al van de gedachte aan alles wat hij verorberen gaat. Hij plaatst een bestelling bij de balie, trekt snacks uit de muur, propt ze naar binnen, gulzig als een uitgehongerde tijger.

'Jaap?'

Hij draait zich om. Daar staat Maya, blakend, paars, met een grote lach. Jaap kijkt snel opzij, in de spiegelwand. Daar staat hij, een frikadel in zijn hand, een veeg satésaus op zijn kin. Jaap kan er niets aan doen, maar Jaap moet huilen. Onbedaarlijk, schokkend, met diepe halen. Maya slaat een arm om hem heen, en begeleidt hem naar buiten.

‘Jochie toch’, zegt ze, hoofdschuddend.

Snikkend laat Jaap zich op een bankje zakken. Maya wacht rustig tot hij wat bedaard is. Ze aait over zijn haren.

‘Ik schaam me zo’, hikt Jaap.

‘Hou jij wel van jezelf?’ vraagt Maya.

Opnieuw barst Jaap in tranen uit.

Maya streelt over zijn borst, met twee handen.

‘Je bent een mooi mens’, zegt ze met opeengeklemde voortanden, ‘een fantastische man’.

Jaap kijkt haar aan. Nooit eerder voelde hij zich zo bewonderd, zo geliefd, zo getroost. Een mooi mens, is hij, hij voelt het, zelf, hij zwelt ervan op. Ik ben een mooi mens! Maya gaat staan en steekt haar handen naar hem uit. Hij pakt ze vast en laat zich leiden. De straat uit, de brug over, hij ziet niet waar hij is, voelt alleen haar warme handen, haar lippen tegen zijn oor, een voordeur door, een slaapkamer in. Hij merkt nauwelijks dat de veters van zijn bruine schoenen worden losgetrokken, zijn wollen spencer uitgaat. Hij geeft zich over, in een waas, nog waziger dan die van kroketten en dikke frieten. 

Ze bemint zijn lichaam, hij betreedt haar tempel. Een magisch spel, dat is wat het is, pure magie temidden van wierook, duistere spiegels en Indiase lappen. De betovering duurt tot de sappen zijn gevloeid, dan vloeien er weer tranen, tranen van Jaap, om de eindigheid van het hemelse genot, om schuld van de zonde. Maya kruipt op hem, fluistert dat niets zondig is zolang het recht uit het hart komt, dat hij nog steeds een mooi mens is. Het werkt niet, er zwelt niets meer op behalve zijn brullende stem. Wat heb ik gedaan, is wat hij brult. Maya bonkt met haar vuisten op zijn buik. ‘Je bent de moeite waard, zeg me na: ik ben de moeite waard, ik ben de moeite waard’.

‘Ik wil naar huis,’ huilt Jaap.

‘Ga maar,’ fluistert Maya.

Hulpeloos kijkt hij haar aan.

‘Echt naar huis,’ piept hij, ‘naar mama.’

Maya slaakt een diepe zucht, slaat een doek om zich heen en steekt haar lange haren op. Jaap blijft met zijn naakte lichaam op het bed zitten, zijn benen voor zich uitgestrekt, zijn schouders krom van ellende.

‘Mama’, kermt hij. ‘Mama’. Voor het eerst in acht jaar dringt in alle volledigheid tot hem door hoe dood ze is, beseft hij dat nooit meer nooit meer is, dat Bernadette haar niet is, dat Maya haar niet is. Dat zijn moeders schoot echt is vergaan.

‘Nou, jochie, raap jezelf bij elkaar, je vrouw wacht en ik moet naar yoga.’

Jaap slikt, hij voelt zijn adamsappel heen en weer gaan.

Met trillende vingers raapt hij zijn kleren op, wankel stapt hij in zijn broek.

 

Het duurt even voor hij zich georiënteerd heeft. Vanuit een telefooncel op het Leidseplein belt hij Dave, die hijgend opneemt, net een potje gebokst. Jaaps handen trillen nog steeds. Zijn maag, zijn knie, zijn hoofd, alles doet hem pijn. En zijn ogen branden. Hij heeft wel veel gehuild, maar ze branden zo hevig, misschien zijn ze wel ontstoken. Kan een verkoudheid zijn, een beginnende griep. Jongen, wat maak je je nou weer druk, zegt Dave. Jaap wil vertellen wat er gebeurd is, maar hij krijgt het niet over zijn lippen. Een misselijke vlaag, Jezus, die telefooncel is ook zo benauwd, mijn god, bijna kotsen, het komt al omhoog. Ik zie je morgen, zegt hij gehaast, en laat de hoorn vallen. Snakkend naar adem loopt hij terug naar school, waar zijn fiets staat. Zijn fiets staat er niet meer. Paniekerig kijkt hij om zich heen, rent hij langs de lege fietsenrekken. Gestraft, hij wordt gestraft. Nu al. Hij voelt de tranen weer kloppen in zijn keel. Hij moet zichzelf bijeenrapen. Hij moet het zelf doen. Zelf naar huis zien te komen, naar Bernadette, zover moet hij zelf zien te komen, dan kan hij zich weer overgeven, zal er voor hem gezorgd worden. Jaap recht zijn schouders en loopt naar de taxistandplaats. Vanaf de achterbank kijkt hij naar de huizen die voorbij schieten, de mensen op straat, op fietsen, lopend, zonder te denken neemt hij waar, zijn hoofd is leeg. Op. Hij is op. En moe. Kapot, is hij. 

In de gang ruikt het naar eten. Vanuit de keuken klinken geluiden die duiden op gekook. Met samengeknepen billen loopt hij op haar af. Ze staat met haar rug naar hem toe. Nog voor ze zich heeft omgedraaid zit hij op de grond, ineengedoken, schokkend, zijn handen om haar enkels geklemd.

‘Ach jochie,’ zegt ze.