GOD EN GROENTESOEP

Het meisje achter de sigarettenbalie zoekt langdurig in een la. Met een tergend langzaam gebaar haalt ze een pakje strippenkaarten tevoorschijn. ‘Dees?’ vraagt ze. Ik zie de achterkant van een hoofd nee schudden. Juist als het meisje zich weer over de la buigt, begint de telefoon naast haar te rinkelen. Haar lange paarse nagels reiken naar de hoorn.

‘Servicebalie met Tanya.’

Ik vloek zacht. Zoveel verloren minuten zoals deze, minuten van wachten op Tanya’s, files, formulieren, beleefdheidspraat. Allemaal momenten die geen herinnering bieden. Steeds meer lijken het er te worden, hele dagen gevuld met lege bezigheden, weken vliegen voorbij, jaren, straks ben ik tachtig en heb ik niets meegemaakt, niets om aan terug te denken, omdat alles wachten was.

Plotseling ontstaat er beweging om mij heen. Ik voel geduw. Een oud vrouwtje perst zich met een rollator tussen de mensen door, en stevent zonder pardon recht op de balie af. Hoofden draaien alle kanten op, blikken van verbijstering worden uitgewisseld. Het mag dan een bejaarde betreffen, dat geeft nog geen recht op zulk bruut voordringgedrag! Ik glimlach. Jawel, denk ik, dat recht heeft ze. Haar dagen zijn geteld. Natuurlijk verspilt zij geen minuten meer. Ze wil  hier weg, snel, naar buiten, de lucht zien, de zon voelen. En ze heeft gelijk, het is een prachtige dag.

De oude vrouw richt haar gebochelde rug wat op en zegt iets tegen Tanya, die inmiddels weer over de la gebogen staat. Oren worden gespitst, het valt stil.

‘Kunt u een taxi voor mij bellen?’ vraagt oude vrouw hees.

Tanya plaatst haar handen demonstratief in haar zij en laat haar schouders met een zucht zakken.

‘Daar kunnen we niet aan beginnen, mevrouw.’

In een reflex trek ik mijn mobieltje tevoorschijn. Met woeste ellebogen wring ik me naar voren.

‘Zal ik een taxi voor u bellen?’ declameer ik luid en met een vuurspuwende blik richting Tanya. Om mijn actie kracht bij te zetten plaats ik mijn handen ook in mijn zij.

‘Waar moet u naartoe?’ vraag ik.

De oude vrouw staart me met grote, waterige ogen aan.

‘Naar het bejaardentehuis,’ zegt ze zacht.

‘Die aan de overkant?’

Ze knikt traag. Ik buig wat naar haar toe.

‘Dat is wel een hele korte taxirit.’

‘Ik ben moe,’ zegt ze. ‘En bang.’

‘O.’

Ik aarzel. Ze drong helemaal niet voor uit ongeduld, het ging haar niet om haar kostbare minuten. Het is een verwarde vrouw, een oude verwarde vrouw. En ik ben degene die zich over haar moet ontfermen, geen weg terug, alle blikken zijn op mij gericht, alsof ik Florence Nightingale ben. Dat ben ik niet! Ik heb helemaal geen tijd en geen geduld voor goed gedrag. Ik voel de ogen van Tanya in mijn rug prikken.

‘Zal ik met u meelopen?’ hoor ik mijn stem luid schallen.

‘Graag,’ zegt de oude vrouw.

Verrassend kordaat draait ze haar rollator om. De menigte deinst uiteen. In mijn aanstalten om haar te volgen, draai ik me nog even naar balie en steek mijn tong uit. Dan snel ik achter de verwarde bejaarde aan. Ze staat al buiten.

‘U bent behoorlijk kwiek,’ hijg ik.

‘Zesentachtig jaar,’ piept zij.

We lopen de stoep af richting het stoplicht. Met openhangende mond zet ze geconcentreerde stappen.

‘Gaat het?’ vraag ik.

Ze kijkt mijn kant op, haar ogen nog steeds groot en angstig.

‘Waar bent u bang voor, mevrouw?’

‘Dat ze mijn spullen jatten.’

‘Was er niemand die met u mee wilde naar de winkel?’

‘Ik ben stiekem. Ik mag niet weg.’

‘Waarom niet?’

‘Ik val zo vaak.’

‘Maar u wilde zo graag naar buiten, dat u stiekem ging?’

‘Snoep. Ik heb altijd zo’n zin in snoep.’

‘En wat voor snoep eet u het liefst?’

‘IJs. Maar dat haal ik niet. Dat smelt voor ik er ben.’

We komen langs de kerk en de speeltuin. Om beurten noemen we snoep op dat we lekker vinden. Bonbonblok. Kaasvlinders. Hazelnootschuimtaart. Ik vraag haar hoe lang ze al in het bejaardentehuis woont. Ze blijft staan en wacht tot ze op adem is. Dan vertelt ze dat haar man een jaar geleden overleden is en ze het huis uit moest waar ze veertig jaar samen hadden gewoond, aan de Weesperzijde. Ik licht mijn hielen enthousiast op.

‘Daar ben ik geboren!’

Voor het eerst krijg ik een glimlach. Echt waar? Echt waar.

‘Ik mis die buurt.’

‘Ik ook.’

Zwijgend vervolgen we onze weg, onze gedachten bij de Weesperzijde, het uitzicht op de Amstel, de stille slagen van de roeiers in de zomer en het krakende ijs in de winter.

We passeren de lijstenmakerij en de slager. De ingang van het tehuis komt in zicht. De oude vrouw laat zich op een bankje aan de rand van de stoep zakken. Ik ga naast haar zitten.

‘U wilt niet naar binnen, hè?’

‘Nee. Bah.’

‘Wat wilt u dan?’

‘Dood,’ zegt ze, op tamelijk opgewekte toon.

‘Dood? Nu?’

‘Nou, niet terstond.’

Er verschijnt ze een ondeugend lachje om haar verschrompelde lippen. Ze reikt met haar hand in een van haar tassen en haalt een pak soesjes tevoorschijn. Ze scheurt het open, propt een soesje in haar mond en biedt mij er een aan. We eten de hele doos leeg. Daarna roken we een sigaret en staren we naar de bomen aan de overkant.

‘Meent u dat echt, van dat doodgaan?’ vraag ik.

‘Ik kan niet wachten.’

‘Nooit meer de zon op je huid, nooit meer de getijden zien verglijden, nooit meer een boek lezen. Dat is toch ondoenlijk?’

‘Gut, kind, zon, getijden, boeken, het zal me allemaal worst wezen.’

‘En de mensen, hoe kun je afscheid nemen als je weet dat het voor altijd is?’

De oude vrouw kijkt me verbaasd aan.

‘Daar weet je toch niks van? Misschien kom je elkaar wel weer tegen, ergens.’

‘Gelooft u in God?’

‘Nee zeg. Heb je ooit gelezen of gehoord dat er een bericht van boven is gekomen? Ja, valse berichten. De hemel en de hel zijn door de mensen bedacht. Net zoals de groentesoep uit de gaarkeuken die ik iedere dag moet wegslurpen. Slim hoor. Dan wil je vanzelf dood.’

‘Maar u gelooft wel in een hiernamaals?’

‘Er is ook nooit bewezen dat er niets is.’

Ze bukt kram en dooft haar sigaret op een stoeptegel.

‘Ik moet gaan,’ zegt ze.

‘Zal ik even met u mee naar binnen?’

‘Beter van niet. Dat valt zo op. Ze mogen me niet zien, weet u.’

‘O ja, dat is ook zo. Weet u wat? Ik geef u mijn telefoonnummer. Als u zin in snoep heeft, bestelt u het bij mij.’

Ik schrijf mijn nummer op een briefje. Ze pakt het aan.

‘Ook ijs?’ vraagt ze.

‘Ook ijs.’

De oude vrouw knikt en hijst zich op aan haar karretje.

‘Het zou toch wat zijn, hè, als ik mijn man zou terugzien.’

‘Fantastisch.’

‘Wie weet.’

‘Ja, wie weet.’

 

 

 

 

 

Eva Posthuma de Boer – september 2008

GEPUBLICEERD IN 'HET IS LATER' - FOTO'S, VERHALEN EN EEN GEDICHT OVER OUDERDOM