DOCUMENTAIRE
Ik word gebeld door een meisje met een hoge stem. Ze werkt bij de omroep, en vertelt dat er een documentaireserie wordt gemaakt over kunstzinnige families. Ons gezin behoort tot de uitverkorenen. Of ik wil meewerken. Ja hoor. Alles voor mijn boek. Het meisje met de hoge stem is blij. Haar vader ook. Dat begrijp ik even niet, tot ik verneem dat hij de regisseur is en zij zijn assistente.
Na wat overleg ligt er een plan. Mijn ouders, zus en ik zullen apart worden gevolgd, en er wordt een gezamenlijke lunch georganiseerd, zodat er ook beeld is van ons vieren bij elkaar.
Het volgen van mijn normale dagelijkse gang blijkt niet zo interessant. Mijn boek is af, en ik ben bezig met de productie van een nieuwe theatervoorstelling. Dat houdt in dat ik veel aan de telefoon of achter de computer zit, en af en toe wat spullen van punt A naar punt B breng. Weinig ‘arti’, dus. Het gaat ze om mijn schrijverskant. En zo ontstaat het idee om het een en ander in scène te zetten. Samen met de cameraploeg reis ik af naar het hotel aan zee waar ik regelmatig naartoe ga om te schrijven.
In ‘mijn’ kamer staat een bed, een tafeltje en een stoel.
‘Eva, waar zit je altijd?’
‘Nou, eh, op die stoel, aan dat tafeltje.’
‘Juist. Ga daar dan maar zitten, met je laptop.’
De camera wordt rechts van mij opgesteld, half in de badkamer. De geluidsman wurmt zich tussen mijn stoel en de muur. De regisseur staat met een hand op zijn kin naast mij, het meisje met de hoge stem nestelt zich tegen het raam. De cameraman zegt dat ze niet alleen in het licht, maar ook in het beeld staat. Het meisje kruipt over het bed en verstopt zich in de laatste vrije hoek van de kamer. De blikken zijn op de regisseur gericht. Kunnen we? Wat is de bedoeling?
‘Zal ik lunch bestellen?’ klinkt er vanuit de hoek.
Het meisje pakt de telefoon en terwijl haar hoge stem door de kamer schalt, zie ik de regisseur met trotse blik naar haar kijken. Dat regelt mijn dochter toch maar mooi!
‘O, wacht even, dan noem ik het op. Jongens, ze hebben broodjes met boerenkaas, zalm, ardennerpaté, salade met mozzarella en tomaat, wat zegt u? O, soep, hebben ze ook. Tomaten of bruine bonen. Momentje hoor. Pap, wat wil jij? De paté. Mevrouw, heeft u dat? Een met paté. En wat wil je erbij drinken? Koffie? Zwart of verkeerd? O. Cappuccino. Wat zeg je Pap? Een jus erbij. Heeft u dat ook, mevrouw?’
Vlak achter me klinkt gekreun; de geluidsman mimet dat hij kramp heeft. Door de grote tas om zijn middel en de lange hengel in zijn handen lukt het hem niet om op te staan. Ik probeer wat naar voren te schuiven, maar tussen mijn buik en de tafel zit geen millimeter ruimte meer.
‘We gaan weer door!’ roept de regisseur.
Ik wist niet dat we al waren begonnen, maar à la.
‘Eva, doe gewoon wat je altijd doet.’
Gewoon? denk ik, alsof ik hier normaliter ook met vijf man, gebrek aan zuurstof en een draaiende camera zit. Ik leg mijn handen op het toetsenbord en staar naar het zwarte beeldscherm van mijn computer.
‘Camera loopt. Actie!’
Ik druk wat toetsen in, doe of ik teruglees wat ik heb geschreven, kijk even uit het raam.
‘Stop!’ roept de regisseur. ‘Dit is niks. Eva, heb je ook nog andere gelaatsuitdrukkingen als je schrijft?’
‘Sorry?’
‘Het is een beetje eentonig zo. Je kijkt alleen maar, hoe zal ik het noemen, geconcentreerd. Als je iets vrolijks schrijft, moet je dan niet lachen, of als je iets treurigs bedenkt, kijk je dan niet verdrietig?‘
‘Ik hoop niet dat ze heel lang over die lunch doen, ik rammel!’ schalt het vanuit de hoek.
‘Eva, wat doe je normaal gesproken terwijl je schrijft?’
‘Schrijven.’
‘Verder niks?’
‘Roken.’
‘Fantastisch! Steek een sigaret op! En... actie!’
Ik steek een sigaret op en staar naar het donkere scherm. Ik leg de sigaret in de asbak en typ wat. Er wordt op de deur geklopt.
‘Daar zal je de lunch hebben!’ gilt hoekje.
Ze rent naar de deur. Er wordt een dienblad binnengebracht.
‘Zet maar op het bed, hoor.’
Er volgt nog een dienblad. En nog een.
‘Supertof, heel erg bedankt, moet ik gelijk betalen of kan het straks? Het is voor ons wel handig als het straks even kan, dat ik naar de receptie kom...’
Vanuit de badkamer klinkt galmend gemor van de cameraman.
‘Die bladen zijn in beeld.’
‘Dan moeten we het maar gelijk opeten,’ krijst hoekje, ‘vind ik niet erg, ik ga echt dood van de honger.’
Na de lunch gaan we verder met een interview.
‘Eva. Jij komt uit een heel bijzonder gezin.’
‘Eh... is dat de vraag?’
‘Jouw ouders waren dus kunstenaars, hoe ging dat er aan toe, thuis? Wie kwamen er over de vloer en zo.’
‘Dat weet ik niet zo goed meer.’
‘Ik stel me voor dat het een dolle boel was, vrienden van je ouders, allemaal kunstenaars, één grote bende.’
‘O. Nou, zo herinner ik het me niet.’
‘Wat herinner je je nog van toen je een jaar of twaalf was?’
‘Ik ging naar de middelbare school. Dat vond ik heel spannend.’
‘Stop de camera! Eva, ik heb het gevoel dat je wat achterhoudt.’
‘Ik heb het gevoel dat jij iets wil horen wat er niet is. Misschien moet je iets anders vragen.’
‘Goed. Camera? Actie! Eva, vertel. Wat is de eerste herinnering aan je moeder?’
‘Aan mijn moeder? Dat weet ik zo gauw niet... dat ze garnalen zat ze pellen aan de keukentafel, denk ik. Of in de moestuin werkte.’
‘Stop maar weer. Eva, de bedoeling van deze documentaire is, dat we het hebben over het kunstenaarschap, over de creativiteit die jullie allemaal in je hebben. Dat snap je toch wel?’
‘Oké. Ik weet nog dat Liesbeth List bij ons thuis kwam. Mijn vader maakte de foto’s voor haar platenhoezen. Lag ze in een hangmat in de tuin, met heel veel make-up.’
‘Kijk, dat wil ik horen! Geweldig. Wie nog meer?’
Na het interview worden er in de omgeving van het hotel nog wat buitenshots gemaakt. Met de draaiende camera in mijn kielzog wandel ik over de paden door het bos richting de duinen. Ik ruik de zee en hoor meeuwen. Ik herinner me de passages die ik hier heb bedacht, en verwonder mij er over dat het bijna zover is dat mensen mijn boek gaan lezen.
‘Het was dus een singlesparty, echt supertof,’ hoor ik achter me.
Ik versnel mijn pas en beklim de houten trap die naar het meest overweldigende uitzicht van de omgeving leidt. Als ik boven kom en het landschap voor zich voor me uitstrekt, haal ik diep adem en kijk trots achterom. Kijk, wat mooi! wil ik roepen. De cameraman poetst zijn lens, de geluidsman draait aan knoppen, de regisseur knuffelt met zijn dochter.
‘Tering, wat vermoeiend is dit,’ hijgt ze vanaf zijn schouder.
‘Had je maar niet zoveel moeten drinken gisteren,’ zegt hij plagerig.
Ze geeft hem een stompje. Hij kijkt lachend naar mij.
‘Haar vriend heeft het uitgemaakt. En nu is mijn moppie een beetje losgeslagen.’
Moppie lacht. Ik knik.
‘Goed, Eva, ga daar maar staan, en kijk gewoon maar wat om je heen.’
‘Ik heb met iemand gezoend.’
‘Wat? Gezoend? Nee, Eva, iets naar links. Ja, daar. Echt waar?’
‘Ja!’
‘Jezus, mijn dochter aan de haal. Draaien maar hoor jongens. Wacht. Laat het geluid maar zitten. Ik zet er wat onder denk ik. Wanneer mag ik mijn nieuwe schoonzoon ontmoeten?’
‘Wen er maar aan,’ zegt manlief als hij is uitgelachen.
‘Kan ik niet,’ zeg ik als ik ben uitgehuild.
© Eva Posthuma de Boer, 2007