DE FOTOGRAAF
Behalve een serveerster en een man in een oranje broek aan de bar, is er niemand in het café. Ik ga aan een tafeltje achterin zitten en sla een krant open. Het regent voor het eerst in drie weken, lees ik. Ik kijk door het raam naar de natte stoep. Vanuit mijn ooghoek zie ik de man in oranje broek mijn kant op lopen.
‘Ben jij Eva?’
‘Eh, ja.’
‘Ik ben de fotograaf. Is de journaliste er nog niet?’
Ik werp een blik op de lege tafels om ons heen.
‘Eh, nee.’
De man gaat zitten en haalt zijn hand door zijn warrige, grijze haren.
‘Ik begrijp niet waarom ik al besteld ben. Ik had gedacht dat het interview nu wel klaar zou zijn.’
‘Tja.’
‘Het is ook nog slecht weer. Ik weet niet hoe ik met goed fatsoen een foto van je kan maken.’
‘Misschien binnen?’
‘Te donker. En dat is ook niet de bedoeling. Ze willen een buitenlocatie, iets wat te maken heeft met het boek dat je hebt geschreven.’
‘En waar dacht u dan aan?’
‘Dat weet ik niet, ik heb het boek niet gelezen. Ik vind het maar niks, al die voorgeschreven wetten van zo’n tijdschriftje. Ik bedenk liever zelf wat ik maak. Maar ja, ik heb momenteel geen andere opdrachtgevers, het theatergezelschap waar ik jarenlang voor werkte bestaat niet meer. Subsidie gestopt. Ik ben er nog steeds kapot van. Dit werk is een doekje voor het bloeden, zeg maar.’
Een harde windvlaag doet de regen tegen de ramen spatten. De man zucht.
‘Misschien moet ik maar weer gaan.’
Maar hij blijft zitten en staart moedeloos naar het natte raam.
Ik zie voor me voor hoe hij straks onverrichter zaken op zijn fiets vertrekt. Vloekend. Doorweekt. Ik zie zijn huis, ook. Een verdieping in de Pijp, in een scheef pand dat op de lijst voor de sloop staat. Versleten planken op de vloer, afgebladderde verf op de deuren, een klein keukentje met een lekkende kraan aan een geisertje. Het is een man die van orde houdt, zo stel ik me voor. De smalle woonkamer is systematisch volgebouwd. Papierwerk bewaart hij in aardappelkistjes van de markt, boeken staan alfabetisch gerangschikt op planken met bakstenen ertussen. Camera’s, statieven en andere apparatuur zijn opgeborgen in de enige inbouwkast. De sleutel van die kast hangt verscholen aan een haakje boven de wc. In de koelkast liggen nagenoeg geen etenswaren. Misschien een krom getrokken stukje kaas, of een blikje bier. Wel ligt er een flinke voorraad fotorolletjes in, want ik vermoed dat deze fotograaf er een van den oude stempel is; dat hij zich zelfs verzet tegen de digitalisering van de fotografie, ‘de teloorgang van het ware vakmanschap’. Hij zal dus ook nog een echte donkere kamer hebben. Die is vermoedelijk op zolder, in een berghok waar de zure lucht van de ontwikkelmiddeltjes zich vermengt met de muffe geur uit de berghokken van de andere bewoners van het pand. Op de hoek van de straat waar de fotograaf woont, is een kaal café. Daar drinkt hij iedere avond zwijgend een paar borrels. Een enkele keer, als hij een glaasje meer drinkt, begint hij te praten. Tegen wie het maar horen wil. Dan oreert hij over de wereld die gek geworden is. Dat niemand zijn foto’s meer wil. Na nog een paar borrels begint hij zich echt op te winden, en gaat hij schelden. Op alle fotografen die zich als slaven aan de modernisering onderwerpen; op de woningbouwvereniging die hem zijn huis uit wil zetten en maar niets doet aan de gehorigheid; op de onderburen met hun krijsende baby, gekmakend, is het. Uiteindelijk, wanneer de barman de allerlaatste ronde schenkt, begint de fotograaf over zijn ouders. Hoeveel zij van elkaar hielden, en van hem, hun enigkind. Onvoorwaardelijke, pure liefde. Hoezeer hij ze mist. Met zijn vuist op de bar vertelt hij dat hij nooit relaties heeft gehad, geen vriendschappen, geen vrouwen. Dat niemand toch zou kunnen tippen aan het verbond dat hij met zijn vader en moeder had. En dat de leegte die zij hebben achtergelaten, door niemand kan worden gevuld. Door helemaal niemand.
De deur van het café vliegt open; een blond meisje komt met gehaaste stappen op ons afgelopen en stelt zich voor, Jette, heet ze.
‘Ik heb geen tijd gehad je boek helemaal uit te lezen, maar wat ik gelezen heb, vond ik supergoed.’
Ze begint haar tas uit te pakken. De fotograaf zegt tegen haar dat hij weg wil. Met een plof laat Jette een stapel papieren op de tafel neerkomen. Op het bovenste vel staat de titel van mijn boek.
‘Wij gaan straks gewoon die foto maken, Elmer. Je wacht maar even.’
Jette legt een opnameapparaat voor me neer, zet haar beste journalistengezicht op – samengeknepen ogen, licht opkrullende mondhoeken - , en stelt haar eerste vraag. Of mijn boek autobiografisch is. Ik stotter, zoek naar woorden, vloek inwendig. Ik had me nog zo voorgenomen op een standaard antwoord te bedenken op deze vraag! Ondertussen rommelt Elmer driftig in zijn fototas. Hij zet een camera op zijn oranje broekspijpen en klikt het toestel open. Met het puntje van zijn tong tussen zijn lippen plaatst hij er zorgvuldig een fotorolletje in. Ik focus weer op het opgezette gezicht van Jette. Ze zal het anders formuleren: of ik zélf een eenzame jeugd heb gehad. Ik buig wat naar voren.
‘Of ik een eenzame jeugd heb gehad? Misschien. Maar is dat erg? Overspoelt worden met liefde is ook niet ideaal. Sterker nog, dat is afschuwelijk! Een voedzamere bodem voor eenzaamheid bestaat er niet.’