zaterdag
feb272016

Held van weleer 

Ik was vroeger verliefd op Hajo Bruins. Ik zag hem voor het eerst in King Lear. Ik had nog nooit een toneelstuk van Shakespeare gezien, en die eerste keer, in de schouwburg, was in velerlei opzichten onvergetelijk. Ik zat op de derde rij van het derde balkon, de acteurs waren bewegende poppetjes, kleiner dan mijn pink. Het stuk duurde vijf uur, wat ik heel, heel lang vond, gezeten op het harde stoeltje waarvan de rode bekleding dwars door mijn panty prikte. Het was Hajo Bruins, of beter gezegd: de stem van Hajo Bruins, die me aan het stoeltje gekluisterd hield.

Na afloop ging ik naar de Smoeshaan, want daar kwamen dienstdoende acteurs na voorstellingen stoom afblazen. Ook Hajo Bruins. Hij hield zich op aan de bar, omringd door luidruchtige, aanrakerige mensen. Meisjes, met name. Meisjes die Hajo Bruins niet vanuit een laf hoekje in het café schichtig gadesloegen, maar zich opzichtig aan hem opwierpen. Meisjes die ’s nachts in zijn armen zouden liggen en zijn stem zacht brommend in hun oor zouden horen, een geluid dat een kriebel in hun zij teweeg zou brengen en, en...

Godsamme, Hajo Bruins.

Ik heb hem nooit ontmoet, in die tijd, wat niet erg is, dat soort liefdes heb je nu eenmaal in je leven. Verzwegen, kansloze verliefdheden, vervuld van schaamte en diepe eenzaamheid.

Tien jaar later ontmoette ik de man met wie ik zou trouwen. Hij kende Hajo Bruins. Niet een beetje, nee, echte maten, waren ze. Dus ineens kwam Hajo Bruins bij ons thuis, met zijn stem. Hij deed enorm amicaal, want ik was het nieuwe liefje van zijn goede vriend. Meteen drie zoenen, al pratend langdurig zijn hand op mijn rug, dat werk. Er werd gepokerd, avond aan avond. Ik schonk wijn en vulde bakjes met nootjes alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat Hajo Bruins uit mijn wijnglazen dronk en zijn lach door mijn huis liet galmen.

Nadat hij een paar keer op bezoek was geweest, en ik weer wat helderder kon denken, besefte ik dat mijn liefde was bekoeld. Een hele opluchting, zeker met het oog op mijn aanstaande bruiloft. Toch mis ik de sensatie van de stille aanbidding wel eens. Daarom ben ik afgelopen week naar de lunchvoorstelling in Bellevue gegaan. Stiekem. In mijn eentje.

Vanuit een veilig hoekje in de zaal gluurde ik naar mijn held van weleer, en probeerde ik me weer zeventien te wanen. Het gebeurde niet meteen (ja, zeg, Hajo Bruins is ook de jongste niet meer) maar toen ik een moment mijn ogen sloot en alleen naar zijn stem luisterde, kriebelde er waarachtig iets in mijn zij. 

zaterdag
feb202016

Bloot gewoon

Ergens eind jaren zeventig maakten we met juf Emilie - macrobiotica van het eerste uur - een uitstapje naar het Tropenmuseum. Het was een duister doolhof waar we in terecht kwamen, en ik herinner me vooral de geur die er rondwaarde, en dat die hetzelfde was als de geur van de Palestijnse sjaal van juf Emilie: een mengeling van rijstwafel, patchouli en gangkast. Ik vond het niet zo lekker, en heb het Tropenmuseum sindsdien dan ook gemeden. Tot nu, dertig jaar later. En, Oma, is er veel veranderd? Nou en of! Er is gerenoveerd, het gebouw is nu fris en open, geen vleugje rijstwafel meer te bekennen. Alleen de collectie in de museumwinkel herinnert nog aan de stoffigheid van weleer - ik noem wollen vingerpoppetjes, handbeschilderde schalen, poefs, zijden lappen, vilten speelgoed, rieten manden en een ruim assortiment aan kralen van

hout. Omdat ik geen museumwinkel onberoerd kan laten, koop ik een notitieblok van olifantenpoep, en met mijn trotse aanschaf onder de arm, wandel ik de hal van het museum in om de tentoonstelling over de Sixties te bekijken.

Er hangt een foto. Er hangt natuurlijk wel meer, maar die foto, die doet ‘t ‘m voor mij.

Vijf hippies op een rij. Rechts een vrouw in een openvallende, Afghaanse bontjas en blote tieten. Daar richten mijn ogen zich als eerste op. Zo gaat dat. Ook bij vrouwen. Ook bij niet-lesbiennes. Je kijkt naar blote tieten, of je wil of niet. Bloot valt nu eenmaal op. In de Sixties was dat anders. Toen was bloot heel gewoon. Toen liet iedereen alles lekker vrij zwabberen. Gekleurde zonnebril op en gaan! Via de hippie trail door Turkije en Iran naar Afghanistan en India voor spirituele verlichting en gratis dope. Kon allemaal nog.

Ik scan de andere vier mensen op de foto. Ze dragen transparante gewaden met drukke patronen. Ze lopen door een veld. In het midden een man, de langste van de vijf. Allemaal lachen ze. Ze hebben elkaars handen vast. En die van drie kinderen. Bizar. Nu pas zie ik dat er drie peuters tussen de grote mensen lopen. Symmetrisch in beeld geplaatst. In hun blootje. Zij lachen niet. Ze kijken zelfs erg serieus. Alsof ze duidelijk willen maken dat ze helemaal niet naar India willen. En voorvoelen dat de jaren zeventig de Macrobiotiek gaan brengen en de rijstwafel reeds vrezen. Wie heeft de foto gemaakt, vraag ik me nu af.

Ed van der Elsken. Hij flikt ‘t ‘m weer: te denken zetten over hoe we kijken.

 

zaterdag
feb132016

Carnaval!

De eerste keer dat ik carnaval vierde, stak een bejaarde vrouw haar tong in mijn mond. De tweede keer dat ik carnaval vierde, stak een gebeugelde smurf zijn tong in mijn mond. De derde en tevens laatste keer dat ik carnaval vierde (vorige week) waggelde ik door het geboortedorp van de man met wie ik getrouwd ben en schreeuwde ik naar de hemel of God dan misschien in Brabant woonde want ik Amsterdam had ik hem nog nooit gezien. Het zou zo helpen, hè, dan hoef ik niet meer bang te zijn voor de doohood… 

Het was pas half tien ’s avonds. De man met wie ik getrouwd ben stampvoette woedend achter me aan, wanhopig pogend mij de mond te snoeren met uitspraken als ‘Houd je bezopen muil, Eva, ik ken de mensen hier,’ en ‘Jij gaat nooit meer mee!’

Dolend door de dorpse straten was hij lucht voor me. De zakflacons met wodka waarmee ik me had gewapend omdat ik bier vies vind, waren leeg, maar ik was café de Boemel beu en weigerde terug te gaan naar  al die uitgelopen schminckhoofden die in onverstaanbaar plat Brabants tegen me aan tetterden. Ontsnappen aan zo’n ‘gesprek’ lukt alleen door je aan te sluiten bij een polonaise, maar holy moses, ik in een polonaise, dat gaat gewoon niet! Hoeveel wodka er ook in zit, ik beschouw mezelf voortdurend. Ik draf en lal mee, maar ik sta er buiten en kijk met de blik van de grachtengordelsnob die ik niet wil zijn. Die vrolijkheid op niks af. En die muziek! Kijk, er zijn best een paar grappige carnavalsliedjes, hitjes die wij van boven de rivieren tot cult hebben bestempeld. Om ‘Er staat een paard in de gang’ of ‘Bloemetjesgordijn’ kunnen wij lachen, en Guus Meeuwis is min of meer geaccepteerd. Maar Lamme Frans met ‘Zo dronken’ op de melodie van ‘Zo vrolijk’ van Herman van Veen, dat gaat te ver. Dus dan krijg je, op een hoempaparitme: ‘Ik ben vandaag zo dronken, zo dronken, zo dronken, ik ben vandaag zo dronken, zo dronken was ik nooit.’ Minutenlang, snoeihard om je oren, gevolgd door ‘Wat een feestmuts bende gij’ van de Snollebollekes, en ‘Een vrouw die altijd zin het’ van Pap en Pudding. Vind je het gek dat ik God ga zoeken? Iemand moet toch ingrijpen! En mijn man terughalen, want die verstaat de kunst van het carnaval vieren wel en host nu nog steeds in den Boemel.

 

 

 

 

Page 1 ... 3 4 5 6 7