zaterdag
mei072016

Een museum over armoede

Het is hier stil. Je hoort geen auto’s, alleen bladgeruis, vogels, loeiende koeien en, heel in de verte, de kerkklok. Behalve oorverdovend stil, is het landschap hier oogverblindend groen - gevolg van 191 regendagen per jaar, maar daar klagen we amper over. En dan de nachten, oelala, sterrenhemels om in de verdrinken. En de wijn, het vlees, de kazen!

Maar het mooiste van de Morvan vind ik de stilstaande tijd. In de vijfendertig jaar dat ik hier kom, is er niets, maar dan ook niets veranderd. Ja, Madame Bailly, het kromme vrouwtje van wie we altijd sla kregen, is overleden, en ook boer Balou is niet meer. Maar de lucht is nog even schoon, en de uitzichten zijn nog precies hetzelfde als toen ik kind was. Zielsgelukkig, word ik ervan. Ook les Morvandiaux hechten aan de onveranderlijkheid. Voor hen ligt het alleen iets anders dan voor een vakantievierder als ik. Veel van hen hebben maar net genoeg te eten, en komen de lange, strenge winters moeizaam door. Ondanks die povere omstandigheden, boezemt het idee van verandering hen angst in. Beterschap verwachten ze er in elk geval niet van.

En nu is er iets veranderd. In het voormalige Hotel de la Poste, waar ik ooit, tijdens een eindeloze zomer, tafelvoetbal speelde met een niet normaal knappe jongen uit Parijs, is een museum gebouwd. Het toont de geschiedenis van de voedsters; in de negentiende eeuw bood de Franse overheid armlastige, kersverse moeders in de Morvan fikse bedragen om hun volle borsten te laten leegdrinken door pasgeborenen uit rijke, Parijse gezinnen. Duizenden van hen lieten hun eigen baby achter, en trokken naar de hoofdstad. Tegelijkertijd subsidieerde de overheid huishoudens in de Morvan die weeskinderen uit de vuile steden opnamen. Een van die kinderen was niemand minder dan Jean Genet, die als baby terecht kwam bij de familie Regnier, in het huis naast de slagerij. Aan Genet is in het museum een hele vleugel gewijd. Dat de grote schrijver in ons dorp opgroeide, maakt mij apetrots. De dorpelingen zal het worst wezen. Evenals de verhalen over de voedsters. Welbeschouwd is het ook redelijk wonderlijk. In de eeuw die sinds Genet hier woonde is verstreken, is de welvaart hier nauwelijks doorgedrongen. Het toch al dunbevolkte gebied stroomt leeg, huizen staan jaren te koop en raken in verval (ook het huis van Genet), winkels verdwijnen, werk is er niet. Voor jongeren is hier geen toekomst, voor ouderen is het leven zwaar. Een museum over een geschiedenis van armoede, middenin een gebied waar armoede nog immer heerst. Turend over de schitterende, onaangetaste weilanden, kan ik daar lang over nadenken.

 

zaterdag
apr302016

Prince en Vrijman

‘Ik wil naar de Keukenhof,’ poneer ik stellig aan de keukentafel. ‘Wie gaat er mee?’ Honend wordt mijn voorstel door het ganze gezin afgewimpeld. De Keukenhof, doei, ga maar lekker in je eentje, wij hebben echt geen zin om naar stomme tulpen te gaan kijken. Maar het gaat me niet om tulpen. Ik doel überhaupt niet op dat aangeharkte bloemenpark, ik doel op Kasteel de Keukenhof, dat op hetzelfde landgoed staat als de toeristische trekpleister, maar er verder weinig mee te maken heeft. Daar, bij dat kasteel, zijn tuinen met verweesde beelden. Alleen die term al, daar zwicht een mens toch voor.

In ons land worden jaarlijks duizenden kunstwerken afgedankt die ooit in opdracht van de overheid of bedrijven zijn gemaakt; bij herinrichting van pleinen of straten, en bij verkoop of sloop van gebouwen, wordt die kunst ofwel vernietigd, ofwel gestald in gemeentelijke opslagplaatsen. Een enkel kunstwerk heeft geluk en mag naar de tuinen van Kasteel de Keukenhof.

Ondanks dit toch behoorlijk aangrijpende verhaal, krijg ik nog steeds op geen enkel front aan de keukentafel bijval. ‘Prima, doei, dan ga ik wel in mijn eentje’, zeg ik, en vraag me naarstig af waar de Keukenhof eigenlijk ligt. Ik voorvoel een kansloze missie.

‘Maar de zon schijnt,’ probeer ik, en geef de enige van wie ik weet dat hij te vermurwen is, mijn zoetste blik. Morrend strijkt manlief met zijn hand over zijn hart; hij zal me naar de bollenstreek rijden. Als ik mijn enthousiasme maar niet aan hem opdring. Ik beloof me koest te houden.

Hoe dichter we ons (mijn) doel naderen, hoe meer gekleurde velden zich langs de weg uitstrekken. Ik vind het best mooi. Maar ik hou me koest. Het laatste stuk rijden we stapvoets, ingeklemd tussen de touringcars, tot die de parkeerplaats oprijden waar hordes toeristen achter meisjes met vlaggetjes aan waggelen. ‘Afschuwelijk,’ gromt het naast me. Laten wij allemaal links liggen, denk ik glimlachend. Maar ik hou me koest. Een paar honderd meter verder zijn we bij het kasteel. Het landgoed is sprookjesachtig, de zon schittert tussen prille lenteblaadjes, en er is geen hond te bekennen. We wandelen door Engelse tuinen, door bos, langs weilanden. Tussen de koeien in het groene gras prijkt een knalrood bouwwerk. We zien een bronzen beeld van een figuur die een andere figuur de lucht in tilt. Het is afkomstig uit een gevangenis, en staat nu in het ‘Veld der geweigerden’, een open plek tussen de bomen.

‘Dit is helemaal te gek,’ zegt manlief. ‘Dit is de fucking Efteling voor volwassenen!’ Hij versnelt zijn pas, nieuwsgierig naar wat er nog meer gaat komen. Ik vouw mijn hand in de zijne en hou me koest.

 

zaterdag
apr232016

Als een middeleeuws mysteriespel

‘U mag minstens vier maanden helemaal niks,’ zegt dokter van R. ‘Niet sporten, autorijden, koken, typen, niks. Een peesontsteking in de schouder is nu eenmaal hardnekkig.’

Ik staar naar de dunne lippen van de dokter en voel paniek opkomen. Niet typen, zei die vrouw dat nou echt? Dat kan niet, ik moet mijn stukje over Jan Vrijman en Prince nog afmaken, en mijn boek, ik ben op dreef, ik kan nu niet stoppen.

‘Volledige rust,’ gaat dokter van R. verder. ‘Wat is uw beroep?’

Weer blijven mijn ogen hangen op die pinnige mond. Toen Jan Vrijman ziek was, schreef hij nog elke dag voor de krant. Niet piepen, door. Op zijn 65e ging hij naar Sign o’ the Times in Ahoy. Ouwe kerel of niet, hij had de jonge Mick Jagger in Londen meegemaakt, de prille Jimi Hendrix in Parijs en de aankomende Beatles in Blokker, dus moest en zou hij ook naar de allerbeste show met de allermooiste muziek van het allergrootste popidool allertijden – aldus de Nederlandse kranten over Prince in 1987.

‘Eh, ik schrijf.’

Dokter van R. trekt een hoofd van: ja, daarmee vráág je ook om een peesontsteking.

‘Daar moet u echt even mee stoppen.’

‘Dat gaat niet,’ bibbert mijn stem.

‘Mevrouw, hoe denkt u dat dit komt? U bent veel te lang doorgegaan. U hebt jarenlang pijnsignalen genegeerd.’

Ik voel het kloppen in mijn keel. Ik weet niet of ik mijn tranen nog lang kan ophouden. Snel denk ik weer aan Vrijman. Hij vond het concert van Prince fantastisch. Hij vergeleek het toneelbeeld met een schilderij van Kandinsky, noemde het een voorstelling als een middeleeuws mysteriespel en een moderne pornoshow. In de muziek hoorde hij Wagner, Strawinsky, Gillespie, Ornette Coleman, en in de hoofdpersoon zag hij de 29-jarige Mozart, als vertolkt door Tom Hulce in Amadeus.

‘Voorlopig neemt u overdag paracetamol en ibuprofen, en morfine voor de nacht.’

‘Pittig,’ zeg ik.

‘Wat wilt u dan, mevrouw?’ snauwt dokter van R.

Ooit had ik autopech, ergens in midden Frankrijk, op een provinciaal weggetje. Na een uur of vier kwam er hulp, in de vorm van een penetrant geurende garagist met een schurftig gezicht. Het deerde me niets. Hij was mijn redder. Ik hield van hem.

Met dokter van R. heb ik het tegenovergestelde. Het liefst zou ik heel hard en langdurig op haar arm rammen opdat zij ook een peesontsteking krijgt. Maar ik geef keurig een hand. In de auto, die ik eigenlijk niet meer zelf mag besturen, draai ik Sometimes it snows in April en jank ik het stuur nat. 

zaterdag
apr162016

Zalige, vrijwillige filmtranen

Naar de film gaan met dochterlief is een uitje dat aan elkaar hangt van vaste-prik-zaken. Met lijn 9 gaan we naar het Rembrandtplein - fietsend zouden we er sneller zijn, maar we doen alles al met de fiets, waardoor de tram iets bijzonders heeft, en ons uitje nog meer voelt als uitje.

Vanaf de halte lopen we regelrecht naar de Flying Tiger (het walhalla voor elfjarigen) voor de aanschaf van minimaal één nutteloze plastic prul, zoals een tandenborstelhouder in de vorm van een grasveld, een mega-rietje met flamingo-kop of een groene koe met open rug waarin je pennen kunt bewaren. Daarna gaan we naar van Dobbe voor een broodje kroket (dochterlief) en een broodje filet met ei (ik). Ze mag van mij alles kiezen, Mc Donalds, falafel, Vlaamse friet, toeristenpizza, maar van Dobbe wint steevast. Ha!, denk ik elke keer, da’s nog eens een goed gelukt Amsterdams kind!

Via Jamin voor een veel te duur zakje schepsnoep, lopen we dan eindelijk naar de bioscoop. Jammer genoeg is dat zelden Tuschinski, en bijna altijd die geel gekleurde helse hangplek Pathé de Munt, maar daar draait nu eenmaal het soort films dat we allebei willen zien. Die hoeven maar aan één vereiste te voldoen: ze moeten ons aan het huilen maken. Helaas zijn huilfilms van het kaliber Sophie’s choice, Bambi of Terms of endearment zeldzaam, en moeten we ons regelmatig door een hoop geëmmer heen bijten voor de tranen komen. Vorige week kozen we voor ‘Miss you already’, een titel die heerlijk huilbaar klonk. Het bleek een nogal levensecht verhaal over twee vriendinnen waarvan de ene borstkanker krijgt. Eerst is er nog hoop, dan niet meer, en uiteindelijk gaat ze dood (no spoiler, dat weet je al als je de trailer hebt gezien). Bijna de hele film lang zat ik me kapot te ergeren aan het fantasieloze, voorgekookte drama. Maar een kwartier voor het einde kwam de ellende toch binnenzeilen. En hoe. Tranen met tuiten. Ik gluurde naar dochterlief. In de flikkering van het filmdoek zag ik haar natte wangen. Beschaamd draaide ze zich af. Ik mocht niet naar haar kijken, troost was ongewenst, en in mijn tranen had ze geen interesse. Zo is het nu eenmaal, met filmtranen. Die vallen niet te delen, die wil je ongezien, voluit laten stromen. ‘Normale’ tranen komen ongewild, op momenten van machteloosheid,  wanneer je je pijn doet, verdriet hebt, boos bent. Filmtranen daarentegen, die zoek je vrijwillig op. En die zijn dus zalig. Zodra ‘Miss you already’ was afgelopen, en dochterlief haar wangen had droog geveegd, keek ze me aan en verzuchtte diep: ‘Zullen we hier volgende week alsjeblieft nog een keer naartoe?’

 

 

zaterdag
apr092016

Een zweem van bloemen waaide binnen

Er is geen kunstvorm die zo regelrecht naar de ziel gaat als muziek. De voorstelling Dry Goods & Groceries van singer-songwriter JW Roy deed me dat maar weer eens ten volste beseffen. Hoogtepunt van de avond was voor mij het lied ‘Life’s a fee’, een ode aan Yvonne Winnen. Roy vertelde er zijn herinnering bij, ik had de mijne.

In 2004 mocht ik oud-wielrenner en schrijver Peter Winnen interviewen. Hij ontving me in zijn huis in Venray, we zaten aan een tafel in de woonkamer. Het was er duister en stil.

Door zijn boek ‘Van Santander naar Santander’, met prachtige, geestige en vooral openhartige brieven over zijn wielercarrière, had ik het gevoel dat ik Peter Winnen een beetje kende - zo gaat dat met boeken, fictie of niet. Ik stelde me een krachtige, extraverte persoonlijkheid voor. Maar Peter Winnen bleek een uiterst verlegen man, met een zachte, haast fluisterende stem. Hij rookte onophoudelijk; zodra hij een sjekkie had opgestoken, begon hij met het rollen van de volgende. Ik wist het gesprek maar moeizaam op gang te houden, er vielen pijnlijk lange, rokende stiltes.

Na een half uur verontschuldigde Winnen zich, hij had me nog niets te drinken aangeboden. Hij vertrok naar de keuken om koffie te maken. Het duurde eindeloos, en al die tijd zat ik in die kamer, met alleen het geluid van een tikkende klok, me naarstig af te vragen hoe het ongemak te verdrijven.

Roerend in onze kopjes, zaten we weer tegenover elkaar. Peter begon nog een sjekkie te rollen, ik bladerde door mijn aantekeningen. Ineens vloog de deur van de kamer open. Het licht ging aan, een zweem van bloemen waaide naar binnen. Een vrouw met rode lippen liep stralend op me af en schudde me de hand.

‘Wat gezellig, Eva, ik ben Yvonne. Heeft Peter je wel iets aangeboden? Zal ik een lekker flesje opentrekken?’

Ik keek naar Peter. Hij keek naar zijn vrouw. Zijn ogen flonkerden, en voor het eerst sinds ik binnen was, lachte hij voluit. Alle schroom leek van hem af te glijden. Nu was het goed. Nu kon hij zijn wie hij was. En Peter begon te praten. Prachtig, geestig, en openhartig, precies zoals hij schrijft.

Yvonne Winnen overleed in 2013. Ze werd 55 jaar. Peter Winnen schreef ‘Life’s a fee’. Recht naar de ziel.

 I will not, I won’t be shy

When I die, light is breaking

No I will not, I won’t cry

When skies are aching                        

(De voorstelling is helaas uitgespeeld, gelukkig is er een fraai albumboek. JW Roy, Dry Goods & Groceries, uitgeverij Lecturis)