zaterdag
jun112016

Onzichtbaarheid als superkracht

Van Banksy weten we niets; niet hoe hij eruit ziet, waar hij vandaan komt, hoe oud hij is. Of hij een vrouw heeft, of een kind, of een heleboel vrouwen en een heleboel kinderen; of hij zijn vrouw slaat, of zij hem, of hij stiekem dan wel ongegeneerd homobars bezoekt, of hij wel eens espadrilles draagt, in zijn jeugd gepest werd, of een vakantiehuis in de Algarve bezit: niks, weten we. Banksy geeft ons op geen enkel gebied de feiten die we gewend zijn van een beroemdheid te krijgen.

Banksy koos voor de anonimiteit omdat hij zich met zijn graffity-art voortdurend op illegaal terrein begeeft, en graag uit handen van de politie blijft. Inmiddels heeft die anonimiteit een onvoorziene betekenis gekregen, lijkt het een statement tegen de heersende celebrity-cultuur waarin iedereen, op niks af, beroemd kan worden. Het schijnt dat het vooral atheïsten zijn die idolen creëren; blijkbaar heeft ook de goddeloze mens behoefte aan verafgoding, en blijkbaar is die zo diepgeworteld, dat elke debiel als subsitituut-god kan volstaan.

De duistere Banksy weet deze hype te omzeilen, en door vast te houden aan zijn anonimiteit, zelfs te bekritiseren. Zijn kunst is beroemd, niet zijn persoon. ‘Ik weet niet waarom mensen er zo prat op gaan om details over hun privé-leven publiekelijk te maken; ze vergeten dat onzichtbaarheid een superkracht is,’ zegt hij zelf.

En toch komt Banksy met zijn onzichtbaarheid en de wijze waarop zijn werk wordt bewonderd, meer in de buurt van een god dan welke celebrity dan ook. Ik denk dat hij een baard heeft.

In het nieuwe Moco (Modern Contemperary Museum of Amsterdam), is nu de eerste museale Banksy-expositie ooit te zien. De heftig politiek geladen sjabloon-kunst wekt altijd een glimlach op - soms van ontroering, soms door de brutaliteit. Zo hangt er een werk waarop homohaatster Queen Victoria met haar kruis op het gezicht van een vrouw zit. Meesterlijk zijn ook de apen met op hun buik de tekst: ‘Laugh now, but one day we’ll be in charge.’

Voor wie nog niet in Moco is geweest: ga erheen voor Banksy, maar ook voor het museum zelf. Het is een fantastisch, particulier initiatief, dat dus zonder subsidie draait. Alleen daarmee al verrijkt het museum onze stad: ondernemen in de kunst is hier dus heel goed mogelijk! Maar, belangrijker nog, het lukt Moco om hedendaagse kunst die normaal gesproken verborgen blijft, zichtbaar te maken. Zichtbaarheid als superkracht bestaat dus ook. ‘In art we trust’, zegt Banksy. En zo is het. Amen. 

zaterdag
jun042016

Over kunst moet je niet lullen

Over kunst moet je niet lullen, ware kunst spreekt voor zich! Ik heb dat geloofd. Jarenlang dacht ik, oprecht, dat het kijken naar kunst spontaan een heleboel gedachtes en gevoelens behoorde op te wekken. Alleen gebeurde dat bij mij nooit, hoe naarstig ik ook in mezelf groef. Ik vond iets mooi of lelijk, veel verder kwam ik niet.

Inmiddels ben ik van mijn geloof gevallen, en denk ik dat het verhaal achter een kunstwerk richting en betekenis geeft, en dat je dat nodig hebt om echt betoverd te raken. Ik vraag me zelfs af of het idee dat kunst voor zichzelf moet spreken nog wel geldig is, en geen residu van voorbije, snobistische tijden.

In een recente aflevering van Kunstuur stond ontwerper slash uitvinder slash kunstenaar Joris Laarman centraal, momenteel misschien wel de grootste ster aan het beeldende kunst-firmament. Hij heeft, onder andere, ontdekt hoe je kunt 3D printen met metaal. Die kennis past hij vooral toe op meubels; wat op het eerste gezicht een simpele, fraai ontworpen stoel lijkt, blijkt bij nader inzien een vernuftig kunstwerk, een optelsom van creativiteit, wetenschap en innovatieve technologie. Laarman werkt nu aan de eerste 3D brug ter wereld. Die komt over het water van de Oudezijds Achterburgwal te hangen, midden op de Wallen. Het ontwerp is sierlijk, een beetje in art deco-sfeer. ‘In de eerste plaats wil ik dat iets mooi is,’ vertelde Laarman. ‘Daarna kun je uitzoeken hoe iets in elkaar steekt, alle lagen ontdekken die het tot een bijzonder object maken.’

Ook iets lelijks kan, door de context, boeiend zijn. Ooit kwam ik een verhaal op het spoor over Christian Brod, een schilder die in de jaren dertig in de kringen van Hitler verkeerde. Behalve portretten van diverse leden van de Nazi-partij, schilderde hij, in 1943, een naaktportret van Eva Braun.

Dat portret is lang zoek geweest, maar werd in 2012 door de Nederlandse galeriehouder Ron Jagers teruggevonden in Berlijn, op de zolder van een neef van Christian Brod. Het bleek een spuuglelijk schilderij. Desondanks exposeerde Ron Jagers het in zijn galerie, en vlogen de media erop af.

Op internet kun je een interview met Jagers bij VPRO’s De Avonden terugluisteren, en Christian Brod is op Wikipedia te vinden. Wat ze bij de VPRO destijds niet doorhadden, en Wikipedia nog steeds niet weet, is dat Christian Brod nooit bestaan heeft. Hij is een bedenksel is van kunstenaar Nelle de Boer (1982), die het portret van Eva Braun zelf schilderde. De leugen als kunstwerk: ik vind het een meesterlijk verhaal.

 

zaterdag
mei282016

Wie schrijft, die blijft

 Ik sta in mijn onderbroek voor de boekenkast. Kippenvel trekt over mijn armen en benen. Ik lag al in bed, maar mijn boek was uit, en ik had nog wat letters nodig om de slaap te kunnen vatten. Dus, een sprintje naar beneden. Wat te lezen? De letter J vult de ooghoogteplank. Mijn hand reikt naar ‘De laatste duik van de dag’, nagelaten proza van Adriaan Jaeggi. Het verscheen een jaar zijn dood in 2008. Ik weet nog dat het me moeite kostte, toen, om het te lezen, hoe ik voortdurend werd geplaagd door gedachten aan die dood. Ik vond dat iets oneerbiedigs hebben, een schrijver verdiende beter. Ik las het boek niet uit.

Eenmaal terug in bed, met de Jaeggi, is er geen sprake van slaap vatten. Ik glimlach, lach hardop, raak ontroert, herken, leef mee, bewonder zinnen, ritme, gedachten. Af en toe zucht ik diep, besef ik weer even hoe zonde en verdrietig het is dat hij zo jong gestorven is (hij werd 45), maar tegelijkertijd besef ik dat de tijd wat gezuiverd heeft, en ik weer kan verdwijnen in de prachtpen van Adriaan, en dat die blijft, voor altijd.

Even tussendoor, voor het idee, drie fraaie Adriaanse fragmenten: 

Het was zo’n avond dat ik vrijgezel was en in bed het aantal meisjes lag te tellen met wie ik ooit naar bed geweest was.

Sommige mensen worden nooit lastiggevallen, maar ik kan de straat niet op of ik loop recht in de armen van bijvoorbeeld een Japanse heer die een camera ter grootte van een luciferdoosje in mijn hand drukt, waarna hij zich zonder op- of omkijken in het verkeer stort en de straat oversteekt naar zijn vrouw, een slordig in plastic verpakt souvenir van veertig jaar huwelijk dat bibberend voor het Anne Frank Huis staat.

Het heeft me twee weken rekenen gekost, maar ik ben eruit: alles bij elkaar moet ik nog negenduizendzeshonderzesentwintig boeken lezen. Als ik nooit meer uitslaap, niet meer dan één maaltijd per dag gebruik, gespaard blijf voor enge ziektes, wc-bezoek tot het uiterste beperk en voorgoed afzie van seks red ik dat misschien net. Ik zal honderdvijf moeten worden.

Ik knip het licht uit, maar de slaap lijkt definitief verdreven. Naast me ligt een berg man te snurken, wat ook niet helpt. Ik draai me van hem af, en begin, heel zachtjes, in mijn hoofd, alle jongens te tellen met wie ik ooit naar bed ben geweest.

 

 

 

zaterdag
mei212016

Krankzinnige hoogte van Verstappen

‘Talent is een aangeboren afwijking’, verkondigde een vriend van mij na de overwinning van Max Verstappen.

Nou interesseert dat hele autogerace me hoegenaamd niets, maar dat die Verstappen er zo uitzonderlijk goed in is, dat boeit me wel. Zou hij ook zo goed zijn geweest als hij niet vanaf zijn derde in snelrijdende voertuigen had gezeten, en door zijn vader de juiste denkwijze ingeprent had gekregen?

‘En hoe ziet de afwijking van Max Verstappen er volgens jou uit?’ vroeg ik mijn vriend. ‘Welk talent bezit hij precies?’

‘Daarvoor moet je de sport snappen, en die snap jij niet,’ antwoordde hij.

Op de televisie werd de overwinning ondertussen oeverloos nabesproken. Ik zette het gebrul zachter, en legde mijn vriend het verhaal voor van Seraphine Louis, een straatarme, eenzame huishoudster die rond 1900 in het plaatsje Senlis woonde, net boven Parijs. Haar ouders stierven toen ze baby was, ze groeide op in een klooster. Seraphine genoot geen opleiding, en werkte van jongs af aan in de huishouding. Op haar veertigste kreeg ze de ingeving om te gaan schilderen. Hoe ze daarop kwam, is een raadsel. Arm als ze was, maakte ze verf van modder uit de rivier, en bloed dat ze bij de slager jatte. In haar steenkoude kamer begon ze plankjes te beschilderen.

‘En toen, mijn vriend, waar gebeurd, werd Seraphine, door stom toeval, ontdekt door een Duitse kunstverzamelaar. De man werd haar weldoener, en financierde haar materialen. De Eerste Wereldoorlog gooide roet in het eten, en de twee moesten afscheid nemen. Maar Seraphine werkte door, letterlijk als een bezetene - uiteindelijk stierf ze in een gekkenhuis. Inmiddels hangen haar schilderijen, die als naïeve kunst worden bestempeld, in vele musea in Frankrijk. Aldus! Die vrouw was ongeschoold, verder dan het dorp waar ze woonde was ze nooit geweest, en meer dan de kerk en natuur om haar heen, had ze niet gezien. Maar schilderen dat ze kon! Dat noem ik talent.‘

‘Ik ook,’ sprak mijn vriend. ‘En onze Max begeeft zich op eenzelfde, krankzinnige hoogte.‘

‘Maar hij werd gevoerd met paplepels vol kennis en ervaring. Dat maakt zijn talent toch twijfelachtiger?’

‘Welnee! Waarom denk jij dat Jordi Cruijff, die bij geboorte een bal in zijn handen kreeg, nooit een Johan is geworden? Omdat hij geen afwijking heeft! Je kunt geluk hebben of pech, omstandigheden mee of tegen, maar echt talent, daar helpt geen moedertjelief aan. Of tegen.’

Orakelvriend zette de televisie weer harder. Starend naar de herhaling van de herhaling van de herhaling het Wilhelmus-podiummoment, besefte ik dat het waar was: Max Verstappen heeft een aangeboren afwijking. 

zaterdag
mei142016

Posthuma's op Terschelling

Nog niet eens zo heel lang geleden was ik op Terschelling om in alle rust te schrijven. Het was nacht, ik kwam net een café uit gerold, en liep, ietwat wankel, door een smal, duister straatje terug naar mijn huis.

‘Heb jij een vuurtje?’ galmde het ergens achter me. Ik draaide me om. Ik zag een jongen en een meisje, ook ietwat wankel op de benen, giechelend houvast zoeken aan elkaar. Ik vermoedde dat ze uit het Zwaantje kwamen, want vanaf waar ze stonden, kon ik zo een diagonale lijn trekken naar het Poepbruine café, zoals het Zwaantje ook wel wordt genoemd.

Ik had een vuurtje. Ik wachtte tot de jongen en het meisje hun sigaretten hadden opgestoken. Het meisje keek me aan. Ik vond haar heel knap. ‘Kom jij hiervandaan?’

‘Nee, uit Amsterdam.’ Dat gezegd hebbende wilde ik mijn weg vervolgen, maar het meisje kreeg een angstaanjagend nieuwsgierige blik in haar mooie ogen.

‘Wat doe jij hier dan, zo midden in de nacht, alleen?’

‘Ik, eh, ik ben hier om te werken.’

Nu werd de jongen ook nieuwsgierig. ‘Wat voor werk doe je dan?’

Ik hou niet van die vraag. ‘Ik schrijf,’ mompelde ik.

‘Een schrijfster!’ riep de jongen enthousiast.

‘Schrijver,’ verbeterde zijn vriendin hem. Een discussie volgde. Was het advocaat of advocate, regisseur of regisseuse, journalist of journaliste? Om beurten wierpen we beroepen op. Het meisje en ik waren het hartgrondig eens, wij waren tegen vrouwelijke vormen. De jongen niet.

‘Hoe noem je een vrouwelijke zanger dan? Ha!’

Vooruit, misschien lieten niet alle beroepen zich in mannelijke vorm op vrouwen spelden.

‘Wat schrijf je precies?’ vroeg het meisje nu. Weer een vraag waar ik niet van hou. ‘Boeken.’ ‘Wat voor boeken?’ En nog een. ‘Romans.’

‘Tof’, zei de jongen, ‘hoe heet je?‘ Ik zuchtte. ‘Eva Posthuma de Boer.’

De jongen lachte een scheef lachje. ‘Grappig, mijn achternaam is ook Posthuma.’

‘O ja?’ Ik tolde, ik was moe, ik moest naar huis. In plaats daarvan zette ik het gesprek voort. ‘Wat is jouw beroep?’ De blik van de jongen sprak boekdelen: hij hield niet van die vraag. ‘Ik ben muzikant,’ mompelde hij.

‘O ja? Wat speel je?’

‘Eh, ik zing.’

Het meisje boog naar me toe. ‘Hij is Douwe Bob,’ fluisterde ze.

Ik grinnikte, Douwe Bob, wat een naam. Maar er daagde me wel iets.

‘O wacht, dat vind mijn zoon heel tof!’ Dat. Ik zei Dat. Gelukkig kon Douwe Bob erom lachen.

‘En nu wil ik met Dat naar bed,’ zei hij, en gaf zijn vriendin een knipoog.

 Vanavond gaat Dat, Douwe Bob, zanger, mannelijk, winnen. Met zijn scheve lachje, zijn prachtlied en zijn onwaarschijnlijk mooie stem.

Proost, Posthuma!

 

Page 1 ... 2 3 4 5 6 ... 7 Next 5 Entries ยป