zaterdag
jul232016

Magische meester van het licht

Het jaar 1983 hakte er mij flink in. Ik was twaalf en zag Terms of endearment met Jack Nicholson, Shirley MacLaine en Debra Winger. Natuurlijk was ik, met mijn twaalf, in een gevoelige fase beland waarin de verbijstering over de mens en de wereld toesloeg, en boeken, films en muziek de impact hadden van een eerste liefde. Maar Terms of endearment steeg boven alles uit wat ik tot dan toe gezien had. Dat een film zo grappig en tegelijkertijd zo zielig kon zijn, vond ik magistraal, en het leerde me dat humor tragiek kon versterken.

Kort daarop zag ik Sophie’s choice. Ik was er kapot van; die vrouw die tussen haar twee kinderen moest kiezen, welke van de twee zou sterven, ik wist niet wat ik ermee aan moest. Het stelde me voor een vraag waar ik nog steeds geen antwoord op heb: waartoe diende dergelijke fictieve wreedheid, binnen de gruwel van de wereldse werkelijkheid?

Het werd 1984, ik werd dertien, en daar was Paris, Texas. Los van het aangrijpende verhaal, was er iets magisch aan de film. Het had van doen met het licht, de wijdse beelden, de kleuren. Maar hoe het kon dat die het drama versterkten, vond ik een ongrijpbaar fenomeen. En nog. Een film is een gesamtskunstwerk, een optelsom van vele, verschillende talenten en technische vernuften, en die zijn voor een leek als ik moeilijk te destilleren. Een goed scenario en knap acteerwerk kan ik herkennen, maar wat een regisseur precies bijdraagt, of hoe een cameraman zijn stempel drukt, vind ik lastiger te zien. De cameraman van Paris, Texas is Robby Müller, de Nederlandse ‘Master of Light’, die ook klassiekers als Barfly en Braking the waves draaide. Aan hem is nu een tentoonstelling in Eye gewijd, waar een stukje van de magie van zijn werk, en daarmee van de kunst van filmmaken, wordt onthuld.

Door het maken van roadmovies, leerde Robby Müller de gegeven omstandigheden te benutten, en open te staan voor het toeval. Met het verhaal van de film in gedachten, keek hij op de plekken waar gedraaid werd, goed naar de lichtinval en de kleuren, en die vergrootte hij uit. Als je met die wetenschap naar Paris, Texas kijkt, zie je het effect van die uitvergroting: de diepe, contrasterende kleuren, de fantasierijke, gestileerde sfeer. Dus door gebruik te maken van de werkelijkheid, wist Robby Müller de werkelijkheid los te laten, en de toverachtige wereld te scheppen die mij als dertienjarige al in de greep had. Het geheim is, volgens Müller zelf, veel simpeler: je moet filmen zoals een kat op een tafel springt: met precies genoeg moeite en inzet. Niet meer, niet minder.

 

Master of Light, Robby Müller, nog te zien in Eye t/m 4 september

 

(Eva Posthuma de Boer houdt vanaf nu een zomerstop tot 27 augustus)

 

 

zaterdag
jul162016

Blijf de hemel verlichten

Veertien juli was als oud en nieuw, maar dan midden in de zomer, en mooier, zoveel mooier dan in Amsterdam. Ik moest vroeg naar bed, lag eindeloos wakker, luisterend naar de stemmen in de tuin, het gelach, de klinkende glazen. Uiteindelijk viel ik toch in slaap, om rond middernacht gewekt te worden door mijn knuffelige, licht aangeschoten moeder. Kleren aan over de pyjama, rillend in de auto, naar het dorp. Parkeren op het kerkplein, tussen mijn ouders de brug over richting de roezemoezende menigte, al opgesteld langs het duistere weiland aan de rand van het dorp. In dat weiland tientallen mannetjes in de vorm van wandelende lampen, drukdoende met de voorbereidingen. Het wachten; de kruipende minuten; het turen naar de overweldigende sterrenhemel, decor van het schouwspel; de knisperende nachtkou waarin de belofte van weer een warme zomerdag school.

En dan, eindelijk, de burgemeester, op kaplaarzen door het hoge gras. Een vlam, de eerste vuurpijl de lucht in, het startsein. Knetterende kleuren, schitterende witte lichtregens, goud verweven sterrensporen, klusters van kometen, het geoooh en geaaaah van het publiek steeds luider, nog meer glitters, kleuren, rookwolken, de hand van mijn moeder links, die van mijn vader rechts, stevig omklemd.

Later, veel later, toen ik zou trouwen, wilde ik dat veertien juli de dag werd. Opdat er altijd vuurwerk voor ons zou zijn. Mijn aanstaande ging schoorvoetend akkoord - hij had het niet zo op de Fransen. Wist hij veel, hij was geen kind geweest aan dat weiland, hij ging altijd naar de camping in Limburg, en daar was helegaar geen vuurwerk, op veertien juli. Dat later, veel later, van dat trouwen, is inmiddels tien jaar geleden. In die tien jaar was er een paar keer vuurwerk voor ons – de keren dat we op vakantie waren in Frankrijk. Ik herinner me een magische setting voor een kasteel in Jumilhac le Grand, een dal vol vuurwerk bezien vanaf de stadmuren van Chartres, en, hoogtepuntje, het weiland in ‘ons’ dorp, met aan mijn linkerhand mijn zoon, en rechts mijn dochter.

De feestdag van de Fransen. De vlaggen uit. De hemel verlicht. De glazen geheven. De handen ineen. Twee dagen geleden, op de boulevard in Nice, geuren van gebakken visjes, van de zee, het geluid van de kabbelende golven, de roezemoezende mensenmassa. Kinderen, slaperig, opgewonden, aan de handen van hun ouders - de dood tegemoet. Onbenoembaar verdriet maakt zich meester. We vallen stil en we zijn bang. Maar. Laat de smet niet voorgoed kleven. Gun het de gekken niet. Blijf de vlaggen hijsen. Verlicht de hemel. Hef de glazen. Hou elkaars handen vast. Overal. Altijd.

 

 

zaterdag
jul022016

Kunst kijken na zonsondergang  

Sinds ons huis wordt beheerst door voetbal, weet ik niet zo goed waar ik mezelf laten moet. Ik word heus vrolijk van de IJslanders op het veld, en ik hoop oprecht dat zij - of de Belgen - de beker pakken, maar voor het uitkijken van een hele wedstrijd, ontbeer ik het geduld.

Inmiddels zie ik scheel van het laptop-Netflixen, en is mijn gestel verzwakt door alle drank die ik bij andere niet-voetbalkijkers heb genuttigd. Ik ben naar Toomler geweest, twee keer naar de film, en naar de zomervoorstellingen in de la Mar, beide absolute aanraders. Wat verder te doen, tot 10 juli? Zo kwam ik op een vraag die me al langer bezighoudt: waarom kan ik ’s avonds niet naar een museum?

Terwijl diverse mannenlichamen zich op de bank uitstrekten voor IJsland-Engeland, sloot ik me op in de keuken om de openingstijden van alle Amsterdamse musea in kaart te brengen. De uitkomst was zo bedroevend als ik vreesde: bijna allemaal sluiten ze voor etenstijd de deuren. Wel kun je vrijdagavond naar het Stedelijk en naar het van Gogh, dat bij zomerdrukte ook zaterdags langer open blijft. Foam is, als enige, het hele jaar door op donderdag- en vrijdagavond open. Hoezee! Ook vanuit de kamer klonk gejuich – IJsland had gescoord. Ik wierp een blik op de blije baarden, en stortte me weer op mijn vraagstuk. Al googelend vond ik een artikel uit de NRC uit januari 2015, waarin onze wethouder van kunst, Kajsa Ollongren, het voornemen uitsprak om de avondopenstelling van musea op de agenda te zetten. Ha! Dus de wethouder zag er ook heil in!

De volgende ochtend greep ik de telefoon. De wethouder was onbereikbaar, haar woordvoerder zou terugbellen. Ondertussen belde ik een rondje musea. Zo kwam ik te weten dat het Rijksmuseum, dat in de avonduren al behoorlijk druk is met allerlei activiteiten, daarnaast best in zou zijn voor een reguliere avondopenstelling. Ook het Allard Pierson museum, het Rembrandthuis, het Amsterdam museum en het Tropenmuseum zijn voor.

Wat houdt ze tegen? Weinig verrassend: geld. Het duurt een tijd voor het publiek weet dat een museum ’s avonds open is, en voor die lange adem zijn de beurzen te krap.

Maar! Waarom dan niet, met alle musea, de handen ineen? Vrijdagavond museumavond. Een gezamenlijke campagne om het publiek wakker te schudden, kat in ‘t bakkie. Wie weet omarmt de wethouder zo’n prachtinitiatief wel, want de woordvoerder, die mij keurig terugbelde, vertelde dat de gemeente, warempel, juist op dit moment, een onderzoek doet naar de mogelijkheden.

Misschien aardig om in de ideevorming mee te nemen: tijdens het WK in 2018 allemaal alle wedstrijdavonden open, voor loslopers als ik?

zaterdag
jun252016

God en Allah onder één dak

Het was zondagmiddag en voor mijn deur speelde zich een bijzonder tafereeltje af. Mijn benedenburen, die hun huis eigenhandig verbouwen (petje af), liepen te sjouwen met zakken puin. De klus moest nu worden geklaard, omdat de container die ze hadden gehuurd de volgende ochtend werd opgehaald. Heel toevallig had ik net weer vreselijke last van mijn schouder, aldus keek ik vanaf mijn balkonnetje werkloos toe hoe mijn lieve buren zich in het zweet werkten.

En toen kwam de pastoorsvrouw aan lopen. Op zich niet raar, aangezien de pastoorsvrouw in de kerk tegenover ons woont. Maar er was duidelijk iets loos. De pastoor, moet ik er even bij vertellen, is zelf een Zwitser, zijn vrouw een Oost-Duitse. De kerk, een Protestantse gemeente, wordt overwegend bezocht door Surinaamse Amsterdammers, die ons doorgaans saaie straatje vaak komen trakteren op prachtig galmend gezang en de heerlijkste roti en broodjes pom. En dan is er nog het winkeltje van de Turkse kleermaker, gevestigd pal onder de woning van het pastoorsechtpaar. In dat winkeltje, achter een zelf genaaid gordijn, is een mini gebedsruimte ingericht, zodat de kleermaker niet de deur uit hoeft voor zijn dagelijkse gebeden. God en Allah onder één dak, hoe vredelievend wil je het hebben.

Maar er was dus iets loos. Met ferme pas en een blik op onweer, stak de pastoorsvrouw de straat over, recht op mijn sjouwende buren af.

‘Zou u hiermee op willen ophouden?’ foeterde ze. ‘Er mag vandaag niet gewerkt worden, u dient de zondagsrust te respecteren!’

Het klonk als een zin uit een slecht gespeelde, Oud-Hollandsche televisieserie, en ik schoot er dan ook bijna van in de lach, ware het niet dat de verbijstering de overhand had. Mijn buren, al even verbijsterd, excuseerden zich en staakten de activiteiten onmiddellijk.

Het was zo’n moment waarop je van schrik zwijgt, en je later duizend dingen bedenkt die je terug had willen zeggen. De pastoorsvrouw was dan ook nog niet uit zicht verdwenen, of de zinnen schoten al door mijn hoofd.

‘Mevrouw de pastoorsvrouw! Ik ken de bijbel niet zo goed, maar staat daar niet iets in van het principe live and let live? Waarom wilt u de regels van uw geloof zo nodig aan een ander opleggen? De wereld gaat zo langzamerhand aan godsdienstwaanzin ten onder, daar wilt u toch niet aan meedoen? Deze kerk is de multiculturele samenleving in topvorm, mogen wij daar als atheïsten ook bij horen, alstublieft?

Dat zei ik dus allemaal niet. Ik liep naar binnen, waar zoonlief zowaar braaf aan zijn huiswerk zat.

‘Stop daar onmiddellijk mee!’ zei ik. ‘Geen huiswerk op zondag! We gaan ijs halen.’ 

zaterdag
jun182016

Droge worst, tafelzuur en rubbermeur

De sportschool waar ik net een tweejarig contract had afgesloten, kreeg plotsklaps een nieuwe eigenaar. Ik was heel blij met de sportschool, ik ging er ook echt heen. Sowieso op maandagochtend, want dan was Jimmy er. Jimmy, een voormalig balletdanser, gaf Essentrics, een sportief fenomeen dat is overgewaaid uit Canada en zelfs de meest vastgeroeste schrijvers (moi) met de meest hardnekkige muisarmen (de mijne) weet te verlichten. Jimmy draaide fijne liedjes tijdens zijn lessen, was geestig doch oplettend (strrrrrek dat been, Eva!) en had soms ook een kater, wat ik uitermate sympathiek en herkenbaar vond.

Maar helaas, de komst van nieuwe eigenaar kondigde het vertrek van Jimmy aan. En al doet zijn vervangster het best aardig, de sjeu is er behoorlijk vanaf, op de maandagochtend. En er is meer veranderd in de sportschool.

Op de vloer van de ooit zo frisse, lichte zaal, zijn zwarte, rubberen matten neergelegd. Daardoor sta je nu in een donker hol te zweten, en hangt er misselijkmakende, hoofdpijnopwekkende rubbermeur.

Op de website van de sportschool pronkt sinds september 2015 de tekst: ‘Afgelopen dinsdag stonden wij in Het Parool! Volgens de Amsterdamse krant is fitnessen bij ons alsof je wordt bediend in een exclusief restaurant!’

In het artikeltje, dat destijds inderdaad in deze krant heeft gestaan, vertelt de eigenaar dat er ‘elementen uit de hotel- en horecabranche zijn toegepast op het fitnessconcept’.

Dit idee heeft vorm gekregen in een gigantische bar die zeker een kwart van de zaal inneemt. De sporttoestellen hebben ervoor moeten wijken, en staan nu bangelijk dicht op elkaar. Ter versiering hangt er achter de mega toog - waar nooit iemand aan zit – een rij droge worsten. Ook staan er grote potten tafelzuur van de Leeuw uitgestald, op vocht dat al flink begint te verkleuren. Om dit alles te bekostigen, zijn de lidmaatschapsprijzen uiteraard verhoogd. Gelukkig vaar ik nog mee op de oude voorwaarden, met mijn tweejarig contract.

Zou ik daar onderuit kunnen, nu de omstandigheden zo veranderd zijn? Soms neem ik me voor om dat uit te zoeken. Dat doe ik dan vervolgens niet. Zoals ik me soms ook voorneem die meurende zaal dan toch maar te betreden, en dat vervolgens niet doe.

Van lieverlee ren ik op maandagochtend rondjes buiten, begeleid door de app van de Vlaamse Evy, die me met haar aanmoedigingen (allee, Eva, hop hop met die beentjes!) heel in de verte een heel klein beetje aan Jimmy doet denken.

Droge worsten en tafelzuur in een sportschool, ik vind het een, eh, uniek concept. En ze staan er toch maar mooi weer mee in Het Parool.