zaterdag
okt082016

De brandende wereld in beeld

De Amsterdamse fotograaf Jeroen Oerlemans, vader van drie kinderen, doodgeschoten door een sluipschutter van de IS. Het klinkt als een echo van mijn angsten. Mijn vader, ook een Amsterdamse fotograaf, vader van twee kinderen waarvan ik de jongste ben, reisde mijn hele leven de wereld over. Toen ik klein was maakte hij reportages voor bladen als Avenue, en ging hij voor kranten het nieuws achterna, maar was er van echt gevaar nog geen sprake. Rond zijn zestigste besloot hij zich te gaan concentreren op de schaduwzijde van de wereld. Het had te maken met zijn verleden, met zijn beste vriendjes, de tweeling Harold en Paul Duizend, die voor zijn ogen door de Duitsers werden weggevoerd. Die gebeurtenis definieerde mijn vaders geweten, en bepaalde zijn richting: hij wilde de gevolgen vastleggen van oorlog op kinderen. Hij reisde af naar gebieden waar brandhaarden amper waren geblust, en maakte ontluisterende portretten van peuters, weerloos wachtend op de dood, van gehandicapte vondelingen, van bedelende wezen, van halfnaakte, uitgemergelde hoopjes kind - de verworpenen der aarde, zoals hij ze noemde.

In Colombia ging het mis. Mijn vader werd daar om veiligheidsredenen begeleid door stichting Mensen in Nood. Maar op zijn laatste dag in Bogota, hij zou ’s avonds vliegen, was hij alleen. Hij besloot toch naar buiten te gaan, en terwijl hij in de meest treurige drugsdealerstraat lijmsnuivende zwerfkinderen fotografeerde, werd hij door een paar jongens overvallen. Ze rukten zijn camera van zijn nek en lieten hem met een gebroken rug achter.

Ik weet nog dat mijn moeder belde. ‘Papa is niet thuisgekomen.’

Het zal misschien een dag hebben geduurd voor we van hem hoorden, het leek een eeuwigheid. Hij werd op een brancard terug naar Nederland gevlogen. Weken lag hij in bed, gekluisterd in een gipsen korset. Hij onderging zijn herstel ongeduldig; hij wilde weer op reis. Wat hem het meest frustreerde, was dat er in zijn camera een bijna volgeschoten rolletje had gezeten. Dat hij dat kwijt was, maakte hem woest. Ik heb daar lang op gekauwd. Hij was bijna dood geweest, wat deden die foto’s er nou toe, hoezo waren die belangrijker dan wij, dan zijn eigen leven? Toch maakte die woede over dat fotorolletje me duidelijk hoe onontkoombaar het werk voor hem was.

We willen in vrede leven. Op die gedachte leunt elke foto van de gruwelijke werkelijkheid van oorlog. De beelden zeggen wat niet te verwoorden valt. De beelden sporen ons aan om goed te doen, geen kwaad. De beelden definiëren ons geweten. Het zijn onmisbare helden die ze maken. Mijn vader is zo’n held. Jeroen Oerlemans was zo’n held. Zijn kinderen mogen heel, heel trots op hem zijn.

 

zaterdag
okt012016

Mama moet werken

‘Ik ga twee weken in eenzame opsluiting,’ zei de schrijfster.

‘Dat kun je niet maken,’ zei de moeder.

‘Ik moet. Dat boek zit vast, er zit iets dwars in de verhaalstructuur. Ik hik tegen de oplossing aan, maar heb hier de rust niet om er zo hard over na te denken als nodig is. Ik moet mijn gedachten even door kunnen laten lopen, snap je, ononderbroken, in stilte.’

‘Maar, uh, kinderen?’

‘Er is ook een vader in huis.’

‘Vraag de werkster een paar keer extra. Verschoon alle bedden voor je gaat, was de wasmand leeg, kook vooruit en vries maaltijden in tegen scheurbuik.’

‘Uiteraard.’

‘Is het niet eng, helemaal alleen in dat afgelegen Franse huis?’

De schrijfster haalde haar schouders op. ‘Ik wil schrijven.’

‘Hoe kan die drang zo sterk zijn dat je je kinderen ervoor achterlaat?

‘Ik weet het, ik ben een onmens,’ sprak de schrijfster gepijnigd. ‘Soms kan ik hun aanwezigheid niet eens verdragen, wil ik alleen maar alleen zijn. En ja, voor wat? Voor een boek dat niemand zal missen als het niet geschreven wordt. Ik heb bedacht dat het er moet komen, het is een kwestie van aanbod, niet van vraag. Die ontstaat pas als het boek in de winkel ligt, en dan nog kraait er geen haan naar, ik bedoel, wat lezen de mensen nou? Eén boek in de vakantie? En dan kiezen ze blind wat op Schiphol ligt, of op de hoogste stapel bij de Ako -  zie daar maar eens tussen te komen, met je frivole literaire werkje.

Maar zodra ik me op dat werkje richt, en er ineens een prachtzin uit mijn pen vloeit, zo een aan het eind van een alinea of hoofdstuk die alles bevat, die ritmisch klopt, die raakt, dan vergeet ik dat allemaal. Die momenten, van de kloppende gedachte, die drijven me voort.’

Dus ging ze, de schrijfster, op een ochtend in september. Het afscheid van haar slaperige kinderen verliep wat rommelig, maar de vader zwaaide haar vanaf het balkon in zijn badjas goeiig uit.

In acht uur reed ze naar het huis in Frankrijk. Al die tijd zat de moeder morrend op de achterbank; ze was het er nog steeds niet mee eens.

Bij aankomst was de zon nog net niet achter de bergen verdwenen. De schrijfster schonk een glas wijn in, en turend over de weilanden voelde ze de rust al indalen.

‘Je moet naar huis bellen,’ jengelde de moeder.

‘Hou toch je kop,’ zei de schrijfster. ‘Anders zet ik je in de schuur.’

De moeder pruttelde nog wat na, maar toen de avond viel, zat de schrijfster in stilte te schrijven.

 

zaterdag
sep172016

Een oude bekende

Ik was zeventien en had een baantje bij Arti et Amicitie, de kunstenaarssocieteit op het Rokin. Overdag serveerde ik lunch aan gestopdaste banklieden, ‘s avonds tapte ik bier voor armlastige kunstenaars. Soms waren er openingen in de expositieruimte in de bovenzaal, dan begaf ik me met volle dienbladen tussen het publiek aldaar.

Op een zondag werd er een tentoonstelling geopend van de Amerikaanse schilder Sam Francis. Ik had nooit van hem gehoord, maar volgens mijn hysterisch rondrennende bazin behoorde hij tot de ‘absoluuute top’. In afwachting van de gasten vulde ik tweehonderd champagneglazen. Ineens merkte ik dat er een Chinees mannetje naar me stond te kijken. Hij was klein, kaal en oud. In gebroken Engels vroeg hij me of ik wel eens model stond. Ik schudde mijn hoofd en knoeide champagne. Het zat zo, hij was hier om de tentoonstelling te openen. Hij  was zelf ook schilder, en had een atelier in de Hondencoeterstaat, wat hij zes keer moest uitspreken voor ik hem verstond. Hij stak zijn hand uit en noemde zijn naam, ‘Wawawedih’. Gezien de zes keer Hondecoeterstaat, liet ik het er maar bij. Hij betaalde vierhonderd gulden voor een middag poseren. Vierhonderd gulden. Ik zag een nieuwe walkman. Schoenen. Een leren jack. Zonder aarzelen schreef ik mijn telefoonnummer op. Hij belde meteen de volgende dag. Van onder aan de trap riep mijn moeder: ‘Eef! Walasse Ting aan de telefoon!’ Ondanks haar verbijstering behield ze haar perfecte dictie, dus nu had ik de naam verstaan. Walasse Ting, dat was die van die kitscherige, gekleurde papagaaien; ansichtkaarten, posters, je werd ermee doodgegooid.

In zijn atelier gaf Walasse Ting me een rode amaryllis om naast mijn gezicht te houden, en maakte hij met een lullig toestelletje wat foto’s. Daarna eiste hij dat ik mee ging eten. Ik herinner me overdadige toestanden met kreeft. In de weken die volgden, belde hij vaak. ‘Eef! Ting!’ Of ik naar een museum wilde, of de dierentuin. Hij verveelde zich zo. Een keer zei ik ja, maakten we een wandelingetje door de Leidsestraat en kocht hij bij de avondwinkel een doos vol exotisch fruit voor me. Daarna viel het stil.

Ik moest aan deze geschiedenis denken door een expositie in Museum Jan van der Togt in Amstelveen (geheel vernieuwd, verfrist, vergootstedelijkt, gaat dat zien), waar werken zijn verzameld van vier bevriende schilders: Appel, Alechinsky, Francis en Ting. Ze zijn ingedeeld op periode, dus in de verschillende zalen hangen de schilders door elkaar, waardoor je ziet hoe ze elkaar inspireerden, en ze meevoeren op dezelfde tijdsgeest. Godzijdank herkende ik niets van mezelf terug, in de werken van Ting, die verre van kitsch waren, maar gevoelig, ingetogen. Er sprak een intense eenzaamheid uit. 

zaterdag
sep102016

Applaus voor Brusselmans

Herman Brusselmans trad op en ik was erbij. Ik vond dat een opwindend gegeven, ik had Herman Brusselmans nog nooit in levende lijve gezien. Hij was kleiner dan ik verwachtte, maar zo is het vaker met beroemde mensen in het echt. Wat me verbaasde, was dat hij trillend als een rietje op het podium stond. Verscholen achter zijn lange haren, deed hij in een monotone, gejaagde woordenstroom uit de doeken hoe Halina Reijn hem ooit vroeg of hij alsjeblieft met haar wilde neuken. Bij het woordje ‘neuken’ bracht Brusselmans zijn mond dicht naar de microfoon, en zette zijn volume aan. En juist door die aanzet, werd duidelijk hoeveel moeite hij had het uit te spreken. Ook de neukens die volgden (hij had Halina geantwoord alleen met haar te willen ‘néuken’ als ze een zak over haar hoofd trok tijdens het ‘néuken’) liet hij zo luid klinken, dat de verlegenheid ervan af droop. Dat zelfs Brusselmans, de meest schaamteloze schrijver van onze aardkloot, schaamte kende, ik kon er niet over uit.

Ik dwaalde af, herinnerde me mijn allereerste herinnering, die het begin vormt van een oneindige verzameling schaamtevolle momenten, allemaal kristalhelder opgeslagen in mijn geheugen.

Ik had hoge koorts, en er was bezoek, de hele huiskamer zat er vol mee. Mijn moeder zette mij op een po, midden op het paarse vloerkleed. En terwijl alle ogen zich op mij richtten, tilde mijn moeder me van de po en duwde een zetpil in mijn kont.

Het toeval wilde, dat ik in de pauze van Brusselmans’ optreden aan de praat raakte met een filosoof. Hij stelde dat schaamte onnodig zwaar wordt gemaakt, vooral door psychiaters die de getergde mens almaar aan de hand van schaamte proberen te verklaren. De filosoof bezag schaamte juist als iets positiefs, als iets wat empathie opwekt en communicatie ten goede komt. Zo had ik het nooit bezien.

Ik dacht aan mijn vriend J., die net dood is. J. maakte een ongekende puinhoop van zijn leven - menigeen zo zwaar beladen met schulden en leugens zou depressief eindigen. J. niet, die was de vrolijkheid zelve, tot zijn laatste hartenklop aan toe. Hij wist zijn schaamte te bedekken met liederlijke verhalen, meesterlijke woordgrappen en een bulderende lach die ik nog elke dag hoor.

Schaamte voelen we ten opzichte van een ander, maar is iets volkomen individueels. Als je bedenkt dat jij die ander bent, zie je in hoe absurd het is. Schaam je je tegenover mij? Hoezo? Ik schaam me zelf kapot!

Dat spreken we nooit uit, maar het maakt wel dat we vergevingsgezind zijn, soms echt naar elkaar luisteren, en dat de trillende Herman Brusselmans aan het eind van de avond een staande ovatie kreeg.

 

zaterdag
sep032016

Doorlezen, ondanks de kwelling

Dat boek. Godskanonne. Ik heb nog nooit zoiets meegemaakt. Ik sprak een buurman, die mopperde dat hij zijn vrouw de hele tweeweekse campingvakantie niet had gesproken. Door dat boek. De titel kon hij zo gauw even niet opkomen. Nou, ik wel, dat kon er maar één zijn: ‘Een klein leven’, van de schrijfster met de onuitsprekelijke, onmogelijk te onthouden naam Hanya Yanaghira - hoewel ik dat van Haruki Murakami en Houellebecq ooit ook dacht, en die er toch zijn ingesleten.

‘Een klein leven’ heeft vier weken met me meegereisd door Amerika, en zo lang heb ik er ook over gedaan om het te lezen. Ik las op de route 66. ‘Kijk nou even uit het raam, mama!’ Ik las in Las Vegas. ‘Ga je echt niet mee naar het casino?’ Ik las aan de Pacifische kust. ‘Nou heb je de dolfijnen gemist!’ Maar het vaakst las ik in hotelkamers die geen herinnering bieden, terwijl mijn gezin om me heen lag te slapen en de airconditioning zoemde. Iedereen die ik over het boek spreek zegt erbij gehuild te hebben. Ik kon niet huilen. Ik kon het alleen maar gepijnigd wegleggen, keer op keer, midden in de nacht, in die hotelkamers. Met mijn kleine zaklampje, speciaal aangeschaft om bij het lezen niemands slaap te verstoren, sloop ik dan naar buiten. Huiverend stond ik op balkonnetjes, veranda’s en stoepen de duisternis in te turen, waarin ik na een tijdje bomen ontwaarde, of blinde muren, of hoopjes zwerver, en wachtte, net zo lang tot de hartverscheurende gebeurtenissen op mijn netvlies vervaagden en mijn ziel weer tot bedaren kwam. Pas in de onschuld van het daglicht, wanneer ik gebroken neerzeeg in de bijrijdersstoel en mijn fris uitgeslapen echtgenoot de auto startte, durfde ik het boek weer op te pakken. ‘Als het zo’n lijdensweg is, lees je het toch niet uit?’ opperde hij een keer. ‘Ben je gek of zo?’ blafte ik. Hij weet dat ik het niet uitlezen van een boek als doodzonde beschouw. Toch overwoog ik het, stiekem, heel even. Maar ik kon het niet, ik moest door.

En nu heb ik het uit, en ben ik weer in de realiteit van vertrekkende Albert Verlindes, columns van Halina Reijn, schoolpleinen vol King Louisjurkjes, de naderende herfst en de bijbehorende depressie. Ondanks de kwelling van het boek, het trage begin, de ellelange interieurbeschrijvingen en vele ongeloofwaardige elementen, voel ik me onthand, en wil ik niets liever dan terug naar het leven van Jude St. Francis, naar het verhaal dat laat zien hoe we onszelf veronachtzamen, straffen, hoe we streven naar geluk en verbinding, hoe we beheerst worden door schaamte, hoe machteloos we tegenover onszelf staan en hoe eenzaam we zijn.