zaterdag
nov192016

Ik noem haar Sylvia

Ik wil niet opscheppen, maar lang voor de verschijning van zijn nieuwe roman de Greppel, vertrouwde Herman Koch me de eerste zin toe. We stonden in de keuken van een feestje, en al bleef het verder volkomen kuis tussen ons, duizelde het me. Een eerste zin, dat vind ik nogal wat. Dat Koch die juist mij toevertrouwde vond ik al helemaal wat, aangezien ik sinds mijn zeventiende eerste zinnen verzamel – kon Koch niet weten, maar toch.

Eerste zinnen volgen geen regels of wetten, en kunnen veel: verbazen, verleiden, provoceren, beangstigen, betoveren, intrigeren, geschiedenis schrijven, de toon zetten, of van alles van dat alles tegelijk.Er zijn wel overeenkomsten te vinden. Zo openen veel romans met een ontmoeting, een weersomstandigheid of de beschrijving van een plaats. Het vaakst tref je tijdsbepalingen aan, soms figuurlijk, soms heel specifiek.Op de dag dat Innie Wintrop zelfmoord pleegde stonden de aandelen Philips 149.60 (Nootenboom, Rituelen); Toen Dina wakker werd, was ze vergeten dat ze zwanger was. (de Jong, Pier en oceaan); Omdat het vandaag je laatste dag is, zal ik je sparen (Hermans, Ik heb altijd gelijk). Ik was zevenentwintig en zat vast in mijn stoel in de boeing 747. (Murakami, Norgewian Wood); Ik was twaalf toen ik voor het eerst op water wandelde. (Auster, Mr. Vertigo).

De eerste eerste zin in mijn inmiddels smoezelige eerste zinnenspaarboekje, tevens een van mijn favorieten, komt uit Schoolland van Theo Thijssen: Ziezo, ik ben mijn klas kwijt. Nog een briljante: Hoe helder staan ze me nog voor de geest, de eerste momenten van mijn clownsroeping! (Houellebecq, Mogelijkheid van een eiland). Ook geniaal: De oorvijg kwam zo hard aan dat ik er pas dertien jaar later van terug had, uit Papillon van Henri Charrière, de man die uit de beruchtste gevangenis van Frankrijk wist te ontsnappen, en zonder enige literaire kennis of bedoeling in twee maanden dertien schriften volschreef met zijn avonturen en naar een uitgever stuurde. Zodra die zich over de eerste zin boog, wist hij: dit boek ga ik uitgeven.

Nog eentje? Ja! Deze: In 1942 werd Jenny Fields, de moeder van Garp, te Boston opgebracht wegens het verwonden van een man in een bioscoop (Irving, De wereld volgens Garp). O, ik zou nog eindeloos kunnen doorgaan. En dan heb ik het nog niet eens over rake, allesomvattende slotzinnen gehad! Een andere keer, wellicht. Dit was mijn laatste Kunstschatje. Ik ga verder met mijn eigen roman. De eerste zin heb ik, met tijdsbepaling. De dag waarop ik je zag was een zaterdag in het decennium van de voorspoed. Op naar de slotzin. Ik ga aan het werk.

 

 

zaterdag
nov052016

Lieve A.F.Th.,

Een paar jaar geleden trof ik je tijdens een boekenbal aan op de trappen van de schouwburg, en tetterde starnakel bezopen in je oor dat ik ooit een nooit verzonden brief naar je had geschreven over je dagboek-boek Engelenplaque. Jij, ook niet geheel nuchter, tetterde terug niet te schromen en de brief alsnog te sturen.

‘Ja maar het is van voor Tonio,’ stamelde ik, waarop jij je glas bijvulde met zelf meegebrachte whisky en me een bemoedigende slok aanbood. Nog stuurde ik de brief niet. Tot mijn spijt. Want wat je me, volgens mij, op die trappen duidelijk maakte, is dat de dood van je kind je leven uiteensplijt, maar niet alles van daarvoor vernietigt. Je bent schrijver. Je bent vader. Je bent vader van een overleden kind. En dan nog blijf je de vader van dat kind. En dan nog blijf je de schrijver van de boeken die je geschreven hebt. Voor wat het waard is, eindelijk, alsnog, mijn welhaast kinderlijke en wegens krantelijk ruimtegebrek ietwat ingekorte ode aan Engelenplaque. Omdat de tandeloze tijd alles toch in nieuwe perspectieven weet te zetten, en het zonde is spijt te hebben van nooit verstuurde brieven. En nu ik je toch schrijf: gefeliciteerd met je 65e verjaardag.

 

Jarnoy, 2 mei 2008

Beste A.F.Th.,

Vanuit een regenachtige Bourgogne wil ik je bedanken voor Engelenplaque. Het stemt me droevig dat ik het uit heb. De afgelopen avonden vertrok ik handenwrijvend en onder hoongelach van mijn echtgenoot vroeg naar bed met ‘mijn AFTh’tje’. Hij was me mooi even kwijt, de spottende echtgenoot. Ik was bij jou, bij de dagen die aanbraken, bij de weersomstandigheden, bij al je voornemens, bij de vlucht die het schrijven voor je nam, bij je kwalen, bij je neerslachtige buien. Als iemand een schrijver is, ben jij het. Nietig, voel ik me naast jou. Geïnspireerd, ook. En een beetje getroost. Wat is het schrijverschap toch krankzinnig. Maar: schouders eronder, nog veel te doen!

Ik heb me verwonderd over je geloof in het ‘naar je toe schrijven’. Wat je verzint, zal je gebeuren. Nogal gevaarlijk. Moeilijke voeten en jicht nog tot daaraantoe, het kan veel erger. Waarover ga je verder? Schrijf je in het vervolg alsjeblieft iets gelukzaligers naar je toe dan een ziekte? Ik hoop het van harte. Ik zal voorlopig bij het opstaan, dat bij mij gepaard gaat met dezelfde frisse plannenmakerij als jij, aan je denken. Zo ook aan het einde van mijn werkdagen, snakkend naar een borrel, mistroostig om niet bereikte doelen.

Gelukkig staat er hier in de scheve boekenkast nog wat andere boeken van je hand.

Alle goeds,

Eva Posthuma de Boer

 

 

zaterdag
okt292016

Voetbal is uuuh... me roeping

Op mijn vijfde ging ik op ballet. De juf heette Hans, en zat tijdens de lessen met haar kollossale zwaarlijvingheid al kettingrokend achter een valse piano om ons, huppelende dotjes, te begeleiden met woest gepingel. Hans vond mijn rug te hol en mijn buik te bol. ‘Rrrrrrrecht die rug, Eva! Stuitje in! Dat ‘stuitje in’ begreep ik nooit, ook niet toen ik mijn moeder om opheldering vroeg en zij me aanwees waar het stuitje zat bij de mens. Hoe kon je dat nou inhouden?

Na vele stuntelige jaren in tutu, stapte ik op mijn tiende van ballet over naar roeien. Dat lijkt gek, maar wij woonden aan de Amstel, pal tegenover roeivereniging de Hoop. Bovendien zat mijn zus er al op. Zij deed aan wedstrijdroeien, wat iets anders bleek dan gewoon roeien, waarbij je ook wedstrijden roeide, maar dus anders, of zo.

Mijn zus was echt een roeitalent, ik hoor het mijn moeder nog zeggen. ‘Je zus is echt een roeitalent.’ Ik was dat niet. Ik was bang voor water, en al helemaal voor de diepzwarte Amstel vol fietswrakken en drollen van woonbootbewoners. Ik heb welgeteld één wedstrijd geroeid, tegen Sander Commandeur, een tenger jongetje dat ik makkelijk kon verslaan, ware het niet dat ik mijn beginnersskiff vlak na het startschot volledig vol kotste.

Iets verder aan de Amstel zat een manege, aldus werd paardrijden mijn volgende avontuur. Tijdens de proefles torpedeerde het paard me zo bruut van zijn rug dat ik het bij de proefles heb gelaten. Daarna begon ik met roken, drinken en jongens, en was het voor heel lang gedaan met de sport.

Maar nu, dertig jaar later, zit ik op voetbal. Ik hoor bij de Dames 35plus. Ik hoor daarbij. Alleen dat al, fantastisch. Ons kersverse team bestaat uit vijftien totaal verschillende vrouwen waarvan er dertien nog nooit gevoetbald hebben (hoor ik ook bij!). Ik vind ons nu al documentairewaardig. Op maandagavond trainen we, op zaterdagen spelen we wedstrijden – heuse competitie, half veld, zeven tegen zeven. We verliezen alles, ik denk omdat we technisch nog niet zo heel sterk zijn en we nogal in paniek slaan als we de bal krijgen. Maar we spelen met passie en geven nooit op.

Thuis zijn ze de verbijstering over mijn nieuwe hobby nog niet te boven. Ik heb voetbal namelijk altijd verschrikkelijk gevonden; ik kan niet tegen pratende voetballers, met hun ge-uuh en gepraat in jij-vorm (uuuh…dan heb je toch zoiets van…uuhh), en ik vind mannen op banken die naar voetbal kijken heel erg onaantrekkelijk.

‘Dat jij in voetbal je roeping hebt gevonden, mag wel in de krant,’ zei zoonlief gisteren. Bij deze, zoonlief. En gefeliciteerd, je bent vandaag zeventien.

 

zaterdag
okt222016

Een keer in de week Pippi

Ik drink alleen als het gezellig is. En als ik een lange nacht zit te schrijven. Bij elkaar opgeteld is dat gemiddeld vier avonden per week. Van die vier drink ik er twee zoveel dat ik er de volgende dag last van hebt – een dof, bonkend hoofd, een lichaam dat zich lamgeslagen voortsleept. Die straf, die steeds zwaarder lijkt te worden (de leeftijd, de leeftijd), wilde ik graag een tijdje ontlopen. De herfst lag grijs en verkouden voor me, hoe heerlijk zou het zijn om die zonder keelpijn en katers te doorstaan?

Aldus, zodoende, besloot ik een maand geen alcohol te drinken. Geen wijn, geen bier, geen gin-tonic, niks.

Ik begon op de laatste maandag van september, zodat ik op tijd klaar was om het glas te kunnen heffen op mijn jarige kinderen (beide van eind oktober). De eerste dagen verliepen moeiteloos, ik ging vroeg naar bed en werd ’s ochtends zo helder wakker, dat ik als een dolle aan het werk ging.

Het weekend brak aan, er kwamen vrienden eten. Ik stortte me op het koken en liet manlief de flessen ontkurken. Toen ik het rond half elf wel welletjes vond, werd er van wijn overgegaan op whisky. Steeds luider werd er gevochten om het hoogste woord, de ene hilarische anekdote overtrof de andere. Ik zat aan. Zo voelde het. Ik besefte dat ik normaal gesproken even ongeremd was, maar waar bleef ik nu, met mijn gewiekste grappen en verhalen? Niets, kwam er bij me op, behalve dat ik naar bed wilde. Uiteindelijk piepte ik er tussenuit. Ik geloof niet dat iemand er iets van gemerkt heeft.

De volgende dag had ik een verjaardag, en ook daar wist ik niet hoe me tot de beschonkenen te verhouden. Ik posteerde me bij de hapjestafel, waar het relatief rustig was, en terwijl ik achtereenvolgens een half Turks brood met hummus, een bak pinda’s en een stuk brie verorberde, zag ik toe hoe er werd gedronken, gelachen en gedanst, en iedereen elkaar dweilend om de hals viel. Het woord nuchter laat zich omschrijven als kalm, bedaard, matig, beraden, realistisch; dat was precies hoe ik alles bezag. Godsamme, wat vond ik het allemaal saai.

De Zweedse schrijver Johan Johansson zei: iedereen wil Pippi zijn, maar uiteindelijk worden de meeste van ons Tommie en Annika. Ben ik met drank Pippi, en zonder drank Tommie en Annika? Het is godsgeklaagd, maar ik vrees van wel. Volgende week mag ik weer. Ik zal de champagne openen met een zwaard en drinken op mijn kinderen. Ongematigd en onbedaard. En zo zal ik blijven. Een keer in de week. Vaker niet. Om met Pippi te spreken: ik heb het nog nooit geprobeerd dus ik denk dat ik het kan. 

 

zaterdag
okt152016

Slechte school van goede smaak

Ik vind mezelf nogal ingewikkeld geprogrammeerd. Ik ben een soort NPO, alles moet altijd maar inhoudelijk zijn, of informatief. Dat is me is als Amsterdams gymnasiastje aangeleerd. Ik ben van de school van de goede smaak: ik ken mijn klassieken, ik ben geen klapvee, ik behoor tot ons soort mensen. En daar hoort Hans Klok niet bij. Dus toen manlief thuiskwam met kaartjes voor Hans Klok’s horrorshow in Carré - vier stuks, voor het hele gezin - moest ik even slikken. Maar, ik ging mee.

Onvermoeibaar galoppeerde halfgod Hans met zijn blonde manen over het podium. Omlijst door flitsende lichten en bombastische muziek toverde hij met ballen, kaarten en lampen, en liet hij het ene lekkere wijf na het andere op miraculeuze wijze verdwijnen. Bij de eerste truc dacht ik: Jezus, wat knap, hoe kan dat nou? Zat er een gat in de vloer, hing er een onzichtbaar touw in de lucht? - maar voor ik het wist, verdween de volgende gelaklaarsde stoeipoes uit een kooi, en dacht ik weer: Jezus, wat knap, hoe kan dat nou? Zo bleef ik over mezelf heen tuimelen, met mijn Jezus wat knap, hoe kan dat nou-gedachte. En terwijl de rest van het gezin (geen gymnasiastjes) ademloos zat te kijken, barstte in mij het stemmetje van de goede smaak los. Dat hele fenomeen illusionisme, hoe virtuoos ook, ging echt nergens over; wat een eendimensionale, tierelantijnerige flauwekul.

Op de fiets naar huis werd er getetterd in superlatieven.

‘Dit was het gaafste ooit!’ riep mijn dochter.

‘Vetter dan vet!’ riep mijn zoon.

‘Volgend jaar weer!’ riep mijn man.

Ik bleef een beetje achter en bezag ze met een steek van jaloezie. Misschien moest ik mezelf proberen te deprogrammeren, Hans Klok vragen om dat snobistische, verwaande gymnasiastje in mij weg te toveren.

‘Hans Klok is toch homo?’ riep mijn dochter nu.

‘Nee, man!’ riep mijn zoon.

‘Echt wel,’ riep manlief.

Ik wist het niet. Ik had er nog ooit over nagedacht. Fietsend langs de Amstel liep de discussie steeds hoger op. Om de gemoederen te bedaren, googelde ik thuis onmiddellijk ‘Hans Klok homo’, en las het laatste nieuws voor: ‘Hans Klok heeft het ongeveer tien keer met Gerard Joling gedaan.’

In stilte vochten we tegen het plaatje dat op onze netvliezen verscheen.

‘Ach, wat maakt het uit,’ verzuchtte mijn dochter na een tijdje, ‘Ik vond het een super show.’

En dat was het, heus. Aldus, hear, hear, Amsterdamse gymnasiastjes van nu! Laat je niet in de luren leggen, de wereld is groter dan het klaslokaal! Gaat Hans Klok zien en geniet, voor het te laat is en je eenzaam en alleen achter je vrolijke gezin aan fietst.